Welkom

Bestuur

De kingduif

History

Erkende kleurslagen

Foto`s

Ledenlijst

Agenda

Nieuws

Links

NBS

Te koop

 

 

 

   

Rasbeschrijving Kingduif 

De Kingduif

-1-     Ter inleiding

-3-     Oorsprong en ontstaan

-6-     De diverse standaards

-12-   Interpretatie van de standaard

-15-   Selectie

-18-   De fok en fokproblemen

-31-   De diverse kleurslagen

-43-   Voortplanting en vererving

-51-   Rui

-55-   Voeding

-59-   Huisvesting

-67-   Fokkers- en jongdierdagen

-69-   Hygiëne en de dagelijkse verzorging

-72-   Ziektes

-77-   Inhoudsopgave

De Kingduif is een van de meest imposante duivenrassen. Door de inzet van de "Kingduivenspeciaalclub" zijn ze tegenwoordig ook bij ons op vrijwel iedere show, in vaak fraaie tot uitmuntende kwaliteit te bewonderen. Naast hun imposante uiterlijk bezitten Kingduiven een hoge aaibaarheidsfactor waardoor ze ook bij vrouwen erg geliefd zijn.

De spectaculaire groei van het ledental van de in 1982 opgerichte "Kingduivenspeciaalclub" wordt mede hierdoor verklaard. Binnen de club is heerst er een fijne sfeer en is er de bereidheid om elkaar met raad en daad bij te staan, ook nieuwe leden hebben meteen het gevoel in een vriendenclub te zijn opgenomen. Vooral bij beginnende fokkers is er een grote behoefte aan goed voorlichtingsmateriaal. Even bij een medefokker om advies vragen bij voorkomende fokproblemen of dergelijke is, gezien de vaak grote afstanden die clubleden van elkaar verwijderd wonen, niet mogelijk. In de Nederlandse taal was er tot dusver geen literatuur over de Kingduif dat is de reden voor het tot stand komen van dit boek. Hiermee hoopt de Kingclub in deze behoefte voorzien te hebben.

Voor fokkers door fokkers.

De schrijver van dit boekje is dagelijks bezig met zijn eigen Kings en maakt, ook bij de verzorging van zijn eigen dieren, vaak vermijdbare fouten. Toch hoopt hij met de raadgevingen en tips die dit boek bevat de medefokkers van dit prachtige ras van dienst te zijn.

Het doel van de Kingclub

Als de vraag gesteld wordt wat is het doel van de Kingclub, kan men verwijzen naar de statuten. In de statuten wordt dat doel kort omschreven, alsmede de wijze waarop de Kingclub dat doel tracht te verwezenlijken. Maar dat is officieel. De Kingclub is op de eerste plaats een vereniging van mensen die gecharmeerd zijn van dit prachtige duivenras en gezamenlijk proberen de Kingduif te vervolmaken. Het is onmogelijk om aan nietliefhebbbers uit te leggen wat een intense bekoring er uit gaat van het verzorgen en fokken van rasduiven. Voor echte fokkers is duiven houden geen hobby maar een passie, waarbij geen moeite teveel is om het gestelde doel (voor onze leden het fokken van de ideale Kingduif) te bereiken.

Echter alleen het gezamenlijk aanpakken van de diverse fokproblemen leidt tot een vooruitgang van het ras. Het voortdurend toetsen en vergelijken van de bereikte fokresultaten is alleen in clubverband optimaal mogelijk. Niet alleen bij duivenrassen maar bij alle gedomesticeerde en gecultiveerde diersoorten kan men stellen dat een doelgerichte evolutie valt of staat met het aantal fokkers die er zich mee bezig houden. Het is de taak van het bestuur van de Kingclub om leiding te geven bij alle activiteiten die de Kingclub ontplooit. Maar ook het begeleiden van alle leden, dus niet alleen de geroutineerde fokkers maar ook de beginners die nog alles moeten leren, behoort tot hun opgaven.

Voorop staat echter het verbreden en verdiepen van de kennis van wat de Kingclub als de ideale King ziet (waarbij de officiële standaard als leidraad niet uit het oog mag worden verloren) Sinds de oprichting vormen leden en bestuur een hecht team. Dat deze eenheid nog in lengte van jaren mogen voortduren is de oprechte wens van bestuur en leden van de "Kingduivenspeciaalclub"

In 1990 was het precies 100 jaar geleden dat de Kingduif als ras werd gecreëerd Hoewel meerdere fokkers die eer voor zich opeisten, wordt nu algemeen aangenomen dat Harry Baker uit Vineland-New Jersey in de Verenigde Staten als de schepper van de witte King gezien moet worden. In 1890 kwam dhr.Baker op het idee om een nieuw duivenras te creëren. Het moest een superduif worden, een soort alles kunner. Niet alleen groot en enorm vruchtbaar voor de vlees produktie maar ook mooi en geschikt als tentoonstellingsras. Het staat wel vast dat Harry Baker een ervaren fokker geweest moet zijn en dat het uiterlijk van wat wij nu kennen als de Kingduif hem reeds in de beginjaren precies voor ogen stond. Welbewust koos hij de rassen waarvan hij de eigenschappen in het nieuwe ras wilde vastleggen. Zo koos hij de postduiven voor hun vitaliteit en vruchtbaarheid, de Malthezers voor hun extreme kipduiven type en de Romeinen voor hun gewicht. (volgens sommige auteurs maakte hij ook gebruik van Mondains en Runts)

Voor de vleesproductie zijn donkere stoppels ongewenst, waarschijnlijk om die reden fokte hij alleen met witte dieren. Kleurproblemen deden zich dus niet voor. Al in 1892 was Harry Baker zo tevreden met het resultaat van zijn kruisingen dat hij besloot het nieuwe ras de naam King te geven. Harry Baker moet een vooruitziende blik gehad hebben. Als wij nu afbeeldingen van Kings van voor de eerste wereldoorlog bekijken, dan waren de daarop afgebeelde duiven de naam King nog niet waardig. In 1895 moest Harry Baker door omstandigheden gedwongen zijn duiven wegdoen. De voorgaande jaren had hij benut om het type te verbeteren en vast te leggen. Buiten enkele bevriende fokkers die in zijn buurt woonden was het ras nog totaal onbekend. Bij de gedwongen verkoop werden zijn duiven opgekocht door twee plaatselijke liefhebbers, William Mc.Mahon en Harry Troth uit Millville-New Jersey. De Gebr.Giroux uit Vineland-New Jersey komt de eer toe van de geweldige opgang en bekendheid van de witte Kings. Via aankopen bij Mc.Mahon en Harry Troth waren zij in het bezit gekomen van witte Kings (nafok uit de duiven van Harry Baker)

De gebr.Giroux pakten de zaak werkelijk grootscheeps aan en hadden binnen enkele jaren een der grootste nutsfokkerijen van de VS Hun fokkerij "The White King Squab Company" produceerde duizenden jonge duiven per jaar. Of ze ook toen al, net als nu de jonge haantjes, panklaar geleverd werden is niet bekend. Door de doeltreffende reclame die zij voor hun fokkerij maakten kreeg liet ras zijn grote bekendheid in de VS.

Ook als rasduif werd de King steeds geliefder. In Maart 1915 werd de Amerikaanse speciaalclub "The American White King Association" opgericht. Een der oprichters de heer F.H.Hallman (de uitgever en eigenaar van The' 'American Pigeon Journal) werd als secretaris-penningmeester gekozen, een tiental jaren geleden was hij nog steeds als kingfokker actief.

De eerste standaard, ontworpen door de negen oprichters van de speciaalclub, vertoont maar weinig verschillen met de huidige. Alleen de staartdracht werd toen in het verlengde van de rug verlangd. Uitsluitingsfouten waren: bevederde benen en voeten, gele halskleur, ondergewicht en andere dan rode oogranden. Foto's van winnende dieren uit die beginjaren tonen lange en vlakke duiven met dunne halzen en kleine koppen, het zou dan ook meer dan dertig jaar van voortdurende strenge selectie vergen voor de types enigszins vergelijkbaar waren met onze huidige Kings.

Of het toeval was weten we niet, maar de naam C.Ray King is onlosmakelijk verbonden met de zilverkleurige Kings. Hoewel meerdere fokkers met deze kleur bezig waren was hij de eerste die ze showde. C. Ray King was ook de man die in 1919 de standaard voor de Zilver-King ontwierp. De nieuwe kleurslag werd erkend en dit maakte het noodzakelijk om de naam van "The 'American White King Association" te veranderen. Dit gebeurde op de jaarvergadering in Januari 1921. Met algemene stemmen werd toen besloten om de naam te veranderen in "The American King Club". De heer C.R. King (hij was woonachtig in Los Angeles-Ca1ifornië) paste ongeveer de zelfde kruisingen toe als voor hem Harry Baker had gedaan, namelijk zilver- Runts x zilver-Malthezers en de F. 1 hieruit kruiste hij weer met zilver-Mondains en postduiven.

De Zilver-Kings waren, vooral in de veertiger jaren, erg succesvol en wisten in die tijd vrijwel alle clubshows te winnen. Het zou tot 1947 duren voor dat een jonge blauwe duivin de jaarlijkse clubshow won, in 1953 werd dit feit door een oude blauwe doffer herhaald. Sindsdien moet de blauwe kleurslag met lagere plaatseringen genoegen nemen.

Van het ontstaan van de andere kleurslagen, zoals rood en geel, zwart en dun is weinig bekend. Pas in 1932 werden ze in de Amerikaanse Standaard opgenomen. In de VS houden zich maar weinig fokkers met deze kleurslagen bezig, we kunnen aannemen dat de kwaliteit in Europa beduidend hoger ligt.

De VS vormen een enorm uitgestrekt werelddeel. Het kon dan ook niet uitblijven dat er verschillen ontstonden in wat de fokkers als de ideale grootte van een King zagen. Vooral in de westelijke staten gaf men de voorkeur aan grote forse dieren. In het Oosten zag men liever wat elegantere types. Om aan deze ongewenste toestand een einde te maken en meer eenheid te verkrijgen nam men de toevlucht tot een drastische maatregel. Op de Grand National Show van 1948 ging men alle Kings wegen, duiven met onder- of overgewicht werden van deelname uitgesloten. Het maximum gewicht van jonge duiven mocht 33 ounce niet te boven gaan, en voor oude duiven was 36 ounce het maximum. (1 ounce is +/- 28,35 gr.) dit komt neer op 935 gram voor jonge duiven en 1020 gram voor ouden. Men kan zich voorstellen dat dit op grote weerstand bij de fokkers stuitte. Men was het er wel mee eens dat er maar één ideaaltype kon zijn, maar niet op deze manier. Men heeft het experiment dan ook niet herhaald. Wel is sindsdien op de grote clubshow altijd een weegschaal aanwezig en kunnen de keurmeesters duiven die buiten het standaard gewicht vallen voor deelname uitsluiten.

In de VS hebben vooral de witte Kings tegenwoordig enorm veel kwaliteit, maar verschil in type in de diverse staten is er nog steeds. Het aantal inzendingen op de jaarlijkse clubshow valt (minder dan 1000) voor ons gevoel wat tegen. In Duitsland, waar de eerste Kings pas in de vijftiger jaren op de shows verschenen, weet men vele malen dat aantal in de kooien te brengen.

Land van oorsprong: De Verenigde Staten van Noord-Amerika.

Algemeen voorkomen.

Breed lichaam, sterk, gerond en kort. Harde bespiering is niet vereist, maar het lichaam mag ook niet sponsachtig aanvoelen. Dieren met te weinig massa zijn, ongeacht andere goede raskenmerken, niet gewenst.

Gewichtsschaal voor oude dieren 800-1050 gram, voor jonge dieren 800-965 gram.

Raskenmerken.

Type:              Kort en rond met forse rechtop gedragen hals en iets opgetrokken staart.

Stand:            Middelhoog, krachtig, breed, kort en horizontaal, op krachtige, breed uit elkaar staande benen.

Kop:               Qua afmetingen bij het lichaam passend, goed gerond, zonder opvallende nekvorming, gladkoppig; niet geknepen tussen de ogen en neusvleugels.

Ogen:             Vurig oranjerood tot rood, bij wit donker, bij bruinzilver parelkleurig.

Oogranden:  Zo smal mogelijk; bij wit levendig rood, bij de andere kleurslagen grijs tot vleeskleurig, afhankelijk van de kleur van de bevedering. Met uitzondering van de blauwe kleurslagen zijn rode oogranden toegestaan.

Snavel:          Krachtig, middellang, horizontaal gedragen; bij wit vleeskleurig, bij bruinzilver, roodzilver en dun hoornkleurig, bij rood en geel lichthoomkleurig, bij zwart, blauw, andalusisch blauw en blauwschimmel zwart.

Hals:              Kort, krachtig en verticaal gedragen; schouderaanzet loodrecht boven de hielen.

Borst:              Naar voren gedragen, breed en goed gerond; het borstbeen zo diep mogelijk.

Rug:                Zeer breed in de schouders, naar achteren versmallend, een licht holle lijn vormend.

Vleugels:       Krachtig, tamelijk kort, goed tegen het lichaam gedragen; op de staart rustend zonder te kruisen.

Staart:             Kort, in harmonie met het korte lichaam; goed gesloten, iets opgetrokken gedragen.

Benen:           Krachtig, middellang, breed uit elkaar staand, het lichaam goed uitbalancerend; loopbenen en tenen onbevederd, tenen goed gespreid; nagelkleur in overeenstemming met de kleur van de snavel.

Bevedering:   Goed aanliggend en de achterpartij rijk en vol voor een ononderbroken belijning.

Kleurslagen:   Wit, zwart, rood, dun, geel, andalusisch blauw; blauw zwartgeband, roodzilver geband, bruinzilver          geband; blauw- gekrast, blauw ongeband, blauwschimmel; blauw-, zwart-, rood- en geel - donker getijgerd; blauw-, zwart-, rood- en  geel-bont.

Kleur en tekening:

Zie voor omschrijving van kleuren het hoofdstuk: "Specificatie van de kleuren" in de NBS standaard.

De kleuren zuiver resp. intensief. De blauwe kleurslagen zo mogelijk met gekleurde rug. Bont moet bij overheersend wit zo gelijkmatig mogelijk verdeelde gekleurde veerpartijen tonen; slag- en staartpennen zo mogelijk afwisselend wit en gekleurd.

Fouten

Sterke afwijkingen in type; te klein, te licht; scheve of gespreide staart; sterke kneep tussen de ogen en snavel; sterke nekvorming; andere dan rode oogranden bij wit; slechte snavelvorm; afwijkende snavelkleur; gekleurde veren bij wit; wit rond de aars en in de dijen bij gekleurde dieren; sterk afwijkende kleur resp. ongelijkmatige of matte kleur; bij getijgerde, bonte en schimmels zeer ongelijkmatige tekening.

Beoordeling:

Na het algemeen voorkomen zijn de volgende raskenmerken in onderstaande volgorde van betekenis:

-         Type: (breedte, lengte, omvang, staart- en halsdracht, rug).

-          Stand

-          Kop,-  Snavelvorm en aanzet.

-          Oogkleur en oogranden

-          Snavelkleur

-          Kleur en tekening

 

Duitse Standaard: 

Herkunft:

In den USA aus Römern, Maltesern, Brieftauben und Duchess herausgezüchtet. In den 90er Jahren des 19. Jahr- hunderts entstand Weiss; Silber wurde in den USA 1921 anerkannt, Gelb, Rot, Dun und Blau 1932 in den Standard aufgenommen; Schwarz folgte später.

Gesamteindruck:

Körper breit, gut gerundet und kurz. Muskelhärte ist nicht notwendig; doch soll sich der Körper auch nicht schwammig anfühlen. Tiere mit zu wenig Körpermasse sind ungeachtet sonstiger Vorzüge unerwünscht. Anhaltspunkte für das Gewicht:Alte Tiere 850 bis 1050 g, junge Tiere 800 bis 965 gram.

Rassemerkmale:

Kopf: proportional zum Körper passend, gut gerundet, ohne absetzenden Nacken, stets glatt; kein Kniff zwischen Auge und Schnabelwarze.Augen: Hervorstehend, lebhaft, dunkel bei Weissen, perlfarbig bei Braunfahlen, bei den anderen feurig orangefarbig; Augenrand möglichst schmal, bei Weissen lebhaff rot, sonst je nach Gefiedenarbe grau oder fleischfarbig. Roter Augenrand ist bei keinem Farbenschlag zu strafen. Schnabel: Kräftig, mittel lang, waagerecht getragen, fleischfarbig bei Weissen, hornfarbig bei Braunfahl, Rotfahl und Dun, hellhornfarbig bei Rot und Geib, schwarz bei Schwarz, BIau und Andalusierfarbig. Hals: kurz, kräftig, aufrecht getragen, Schulteransatz senkrecht ober der Ferse. Brust: hervorgedrückt, breit und gut gerundet, das Brustbein so tief wie möglich. Rücken: Sehr breit in den Schultern, nach hinten sich etwas verjongend, leicht hohl.Flügel: Kräftig, ziemlich kurz, am Körper gut anliegend, auf dem Schwanz ruhend, ohne sich zu kreuzen.Schwanz: Kurz, im Einklang zum kurzen Körper, gleichmässig breit, uber die Waagerechte jedoch nicht zu stark angezogen getragen. Beine: Kräftig, mittellang, breit angesetzt, den Körper gut ausbalancierend, Läufe und Zehen unbefiedert, Zehen gut gespreizt, Nagel in der Farbe des Schnabels. Gefieder: Gut anliegend, aber doch griffig, so dass sich keine harten Linien ergeben; Aftergefieder gut anliegend.

Farbenschläge:

Weiss, Braunfahl, BIau mit schwarzen Binden, BIau ohne Binden, Blaugehämmert, Blauschimmel, Schwarz, Dun, Rot, Geib; Andalusierfarbig Rotfahl; Tiger in Blau, Schwarz, Rot und Gelb; Schecken in BIau, Schwarz, Rot und Gelb.

Farbe und Zeichnung:

Die Weissen ohne farbige Feder. Bei Braunfahl ein klares, helles Silbergrau aut den Flügeldecken, Körperfarbe etwas dunkler, Hals mit leichtem grünlichem Glanz. Flügel- und Schwanzbinde schokoladen braun, Schwingen fahl. Blau in reinem Ton, mit glanzreichem Hals und, wenn bindig, schwarzen Binden. Bel Blaugehämmerten kommt eine möglichst gleichmässige, scharfe, tiefschwarze Hämmerung hinzu, Blauschimmel haben mehr oder weniger weisse Einlagerungen in jeder Feder und dunkle Binden. Diese vier Farbenschlâge môglichst mit farbigem Rücken. Schwarz, Rot und Gelb in satten Farben. Dun gräulichbraun. Andalusierfarbige haben schwarzblaue Kop- und Halsfarbe, Brust- und Bauchgefieder sowie Schwanz nur etwas heller, dunkelblaues Flügelschild möglichst mit schwarzer Säumung, dunkel auslaufende Schwingen, sehr wenig und unauftällige Rosteinlagerungen gestattet. Rotfahle haben gleichmässig rote Hals-, Brust und Bindenfarbe, reine Flügeldecken und helle Schwingen- und Schwanzfarbe. Tiger 50 gleichmässig wie möglich gezeichnet; Schwingen und Schwanz farbig. Schecken sollen bei Überwiegen des Weiss möglichst gleichmässig verteilte farbige Partien zeigen; Schwingen und Schwanz müssen gescheckt (nicht reinweiss) sein. Die Farben rein bzw. satt.

Grobe Fehler:

Starke Abweichungen vom Typ, zu schwache und untergewichtige Tiere; schiefer oder gespreizter Schwanz; starker Kniff zwischen Auge und Schnabel; stark abgesetzter Nacken; andere als rote Augenränder bei Weissen; schlecht geformter Schnabel, Abweichungen in der Schnabelfarbe; farbige Federn bei Weissen, After und Schenkelweiss bei farbigen Tieren; starke farbliche Abweichungen bzw. ungleichmässige oder matte Farbe; bei Tigern, Schecken und Schimmeln sehr ungleichmässige Zeichnung.

B ewertung:

Gesamteindruck - Körperform und - haltung (Breite, Kürze, Fülle, Schwanz- und Halshaltung, Rücken, Stellung) - Kopf- und Schnabel, form und - haltung - Augentarbe - Augenränder - Schnabelfarbe - Gefiederfarbe - Gefiederzeichnung.

 Amerikaanse Standaard:

 WEIGHTS AND MEASUREMENTS

Old Birds         30 to 37 ounces

Young Birds     28 to 34 ounces

The above must be adhered to in weights.

HEIGHT: Eleven and three quarters inches (11 3/4").

WIDTH: Extremity of chest five and one half inches (5,5">.

DEPTH: The depth to be four and one half inches (4,5">

LENGTH: Tip of tail to chest extremity, nine and one half inches .

LEGS: Legs to be of such length as to show approximately two and five eighths inches from center of one shank to center of other. Cocks should be masculine in appearance. Hens should be feminine in appearance. Birds of unkempt appearance, or birds that refuse to show good station or proper manners, may be cut up to 10 points. These ten points to be floating and not upset the original 100 points total.

SCALE OF POINTS

BEAK (5 pts.):

Short, stout; to be carried in a horizontal position.

WAT'TLE (3 pts.>:

Small, smooth, powdered or frosted in color, in keeping with size of face.

HEAD (10 pts.>:

Moderately large and broad with skull well rounded in proportion to a full neck and broad body. Must not be pinched above wattle or snaky in appearance.

EYES <3 pts.>:

Prominent, round and bright, set approximately three fifths forward from back of skull.

EYE CERE (4 pts.>: Perfectly round, fine in texture, not over one sixteenth inch wide, to be visible between the eye and feathers, and beet red in color.

NECK <5 pts.>:

Moderately stout or thick to balance with broad shoulders and well rounded body of the bird, to be carried perpendicularly. Back of the neck enters the shoulders as near as possible on a line with the hocks. Beak should recede slightly from the extremity of the protruding breast. Neck should not cut back excessively under the beak. Cocks should show more massive neck than hens; neither shall show any evidence of thinness

BREAST (10 pts.):

The breast is that part of a pigeon lying or being in front of the legs and extending to lower part of the neck, but does not include that part of the body around the keel back of the legs. The breast shall be prominent, broad and well rounded, showing well beyond the wing butts. It shall be carried symmetrically with an erect station of the bird, with lower portion of front on a horizontal line with rear of keel.

BODY (10 pts.>: Short, broad, firm, moderately deep and well rounded.

KEEL (10 pts.>: To be straight and centered between the legs and as long as possible in a short, well-rounded body, curving in a rocker shape to end as close to the vent as possible.

BACK (5 pts>: Short and broad from shoulders to tail, must not taper too quickly before reaching the rump but curving smoothly into back of neck and slightly tilted tail.

WINGS (7 pts.>:

Wings to be held snugly to the body and lying smoothly on the rump and tail, tips spread covered by breast feathers. Ten primary feathers are the correct number.

TAIL <5 pts.>:

Short in proportion to a short body. To be approximately one and one halvefeathers wide at tip of tail, tapering smoothly from a thick and broad rump. To be carried at an angle above horizontal to complete the bottom curve formed by body and breast, but not so high as to cause crossing or dropping of wing tips. Twelve primary feathers the correct number.

SHANKS (10 pts.>:

Stout and straight so as to give the bird an erect appearance, set well apart and in line to intersect with the curve of the back ofthe neck at the point in the curve which is on horizontal line with the base of the beak. To be free from feathers and beet red in color.

TOES (3 pts.>:

Straight, clean and well spread; beet red in color.

PLUMAGE (10 pts.>:

Feathering to be close and smooth but not as hard as a flying homer's. Should have a little give when the bird is handled. Shall have smooth feathering under the vent. Birds must be in full natural plumage.

Colored birds to be cut from one to ten points for faulty color when judged in their own classes. These ten points to be floating and not to upset the original 100 point total.

RECOGNIZED STANDARD COLORS: SOLID PATTERNS

White - Pinkish white beak; bull eyes; beet red eye cere; white toe nails; color is white and free from off colored feathers.

Red - Horn colored beak; bright orange eyes; beet red eye cere; horn colored toe nails; color is a dark, rich red over entire surface with richness of color carrying down as near the skin as possible, showing no foreign color or ticking. Yellow - Horn colored beak; bright orange eyes; beet red eye cere; horn colored toe nails; color a dark yellow over entire surface with richness of color carrying down as near the skin as possible, showing no foreign color or ticking.

Black - Black beak; bright orange eyes; beet red eye cere; black toe nails; color a rich solid jet black with a brilliant sheen. The neck and upper part of the breast to show a green metallic luster. Richness of color carrrying down as near the skin as possible, showing no foreign color or ticking.

Dun - Horn colored beak; bright orange eyes; beet red eye cere; horn colored toe nails; color the dilute of black, gun-metal color over entire surface with richness of color carrying down as near the skin as possible, showing no foreign color or ticking.

Brown - Horn colored beak; pearl eyes; beet red eye cere; horn colored toe nails; color a rich chocolate or cocoa over entire surface with color carrying down as near the skin as possible showing no foreign color or ticking.

BARRED PATTERNS

Brown Bar - Horn colored beak; pearl eyes; beet red eye cere; horn colored toe nails; color a clear, silvery blue. The neck is still a darker shade of silvery blue with a brilliant greenish metallic luster. Wings show two well defined bars running in a curved V-shape across the wing coverts. The bars to be dark chocolate in color, approximately one inch apart at the bottom of the wing coverts and come nearly together as they approach the top of the wing. A similar dark bar approximately three quarters of an inch wide at tip of the tail. silver is preferred, but white is permissible over rump.

Blue Bar - Black beak; bright orange eyes; beet red eye cere; black toe nails; color a rich even shade of sky blue. The neck is a still darker shade of clear blue with a brilliant greenish metallic luster. Wings show two well defined bars running in a curved V-shape across the wing coverts. The bars are to be black color approximately an inch apart at the bottom of the wing coverts and come nearly together as they approach the top of the wing. A similar black bar approximately three quarters of an inch wide at the tip of tail. Blue is preferred, white permissible over rump.

Silver Bar - Horn colored beak; bright orange eyes; beet red eye cere; horn colored toe nails; color a rich even shade of silvery gray. The neck is a darker shade of gray with a brilliant greenish metallic luster. Wings show two well defined bars running in a curved V-shape across the wing coverts. The bars are to be a dark dun color, approximately an inch apart at the bottom of the wing coverts and come nearly together as they approach the top of the wing. A similar dark dun bar approximately three quarters of an inch at the tip of the tail. Silvery gray preferred, white permissible over rump.

Ash Red Bar Horn colored beak; bright orange eyes; beet red eye cere; horn colored toe nails; color a rich even shade of ashgray. The neck is red with a brilliant greenish metallic luster. Wings show two well defined bars running in a curved V- shape across the wing coverts. The bars to be a chestnut red, approximately an inch apart at the bottom of the wing coverts and come nearly together as they approach the top of the wing. The darker tail bar is absent. Black or brown flecking is permitted in wing fiights and tail rectrices. Ashgray is preferred but white is permissible over rump.

Ash Yellow Bar - Horn colored beak; bright orange eyes; beet red eye cere; horn colored toe nails; color a rich even shade of light gray. The neck is yellow with a brilliant greenish metallic luster. Wings show two well defined bars running in a curved V-shape across the wing coverts. The bars to be yellow approximately an inch apart at the bottom of the wing coverts and come nearly together as they approach the top of the wing. The darker tail bar is absent. Dilute color flecks permitted in wing flights and tail rectrices. Light gray is preferred but white is permissible over rump.

A.O.C. - Any color or pattern not recognized in the American King Club Standard may be shown as an A.O.C. King.

Any deviation from this standard shall require point cuts in proportion to the extent of the defect.

Interpretatie van de Nederlandse Standaard: 

Vitale krachtpatsers, zonder scherpe kanten of hoeken, een volkomen harmonisch beeld vormend. Veel meer dan een optelling van bepaalde maten en verhoudingen, maar een esthetisch geheel waarvan iedere beschouwer meteen onder de indruk komt, Zo ziet de Ned. Kingduiven Speciaalclub de ideale King.

Maar net zoals foto's en schilderijen aan bepaalde compositiewetten gebonden zijn, zo moeten ook onze Kings aan bepaalde in de standaard omschreven eisen voldoen om dat gewenste beeld te kunnen vormen. Type en stand komen bij de beoordeling vooraan. Kings moeten breed zijn, een volwassen dier ongeveer 14 cm. en een brede goed gevulde borst, die royaal voor de vleugelbogen uitkomt vertonen. Voldoende borstdiepte overgaande in een goed gevulde buik die samen die mooi doorlopende onderbelijning vormen, is zo mogelijk nog belangrijker Om die borstdiepte te kunnen tonen moeten we sterk selecteren op de gewenste borstbeen of borstkamvorm.

We willen sterk naar voren gebouwde, diepe borstbenen die a.h.w. vroeg beginnen en laat eindigen. Bij dieren met dergelijke borstbenen ligt het zwaartepunt aan de voorkant, die hebben ook nooit problemen met een afhellende stand.

Kings moeten een sterk ske1et hebben, het borstbeen bij volwassen dieren moeten tenminste 3 mm. dik zijn. Bij overjarige doffers moet de ring strak om de poot passen. Het minimum gewicht van 850 gram bij volwassen dieren, is wat de naam al aangeeft een minimum gewicht, dieren die dit niet halen zijn te klein hebben op een show niets te zoeken. De. bovengrens bij volwassen dieren is 1050 gram, dieren die daar veel overheen gaan ontbreekt het aan elegantie en standhoogte. Vooral bij jonge dieren is lengte en inplanting van de benen bepalend voor de showwaarde. Ze moeten breed gesteld zijn, te eng gestelde of dieren met x benen zijn voor de tentoonstelling niet geschikt. 0ok dieren die te eng gesteld zijn hebben hoogstens als fokdier nog een beperkte waarde. Wij willen dieren die vierkant staan.

Zie Amerikaanse standaard-afbeelding.

Vooral de strakbevederde dijbenen moeten er goed uitkomen. Van de zijkant gezien, midden onder het lichaam, goed in balans zonder door te drukken De dijbeenbevedering loopt door tot aan de ring, de loopbenen zonder stoppels en de tenen goed gespreid.

De rug wensen we tussen de schouders zeer breed, iets versmallend naar de staart en kort, maar niet dat super korte van de Engelse Modena maar kort en horizontaal. Aan zo'n brede rug kan men geen extreem smalle z.g. eenpens staart eisen. Wel smal met een brede veerstructuur en goed aangetrokken. De staart wordt bij de Duitse Modena iets boven horizontaal gedragen, bij de Engelse Modena sterk aangetrokken (staarteinde en bovenzijde van de kop vormen praktisch één lijn) de staartdracht bij de Kingduif ligt daar precies tussen .

Hals,

Kort en krachtig, verticaal gedragen zonder aanleg tot hengstennek, de schouderaanzet boven de hielen, bij dieren met de gewenste korte rug vormt dat zelden een punt van kritiek.

Vleugels,

Krachtig en tamelijk kort, op de staart kruisende slagpennen moeten bij de beoordeling worden bestraft. Vleugelbogen mogen aan. de voorzijde niet zichtbaar zijn. De veerstructuur van de slagpennen wensen we breed.

Kopbelijning,

Bij de beoordeling komt de kopbelijning onmiddellijk na type en stand. Niets doet meer afbreuk dan een te spitse kop op een verder goede King. Op zo'n forse duif past alleen een bijbehorende kop, waarbij de steile, brede voorkop goed gerond overgaat in een brede schedel. Het hoogste punt ligt precies boven de ogen. Ook moet de achterkop met een vloeiende afronding overgaan in de nek. Vlakke achterkoppen, of te lang doorlopende achterkoppen, die bij de blauwe kleurslag nog al eens voorkomen, zijn bij de huidige stand van het ras niet meer acceptabel.

 

De ogen.

Moeten midden in de kop zijn geplaatst met voldoende substantie erboven. Van bovenaf mogen ze niet zichtbaar zijn. De oogomsluiting moet rond zijn, een ovale oogomsluiting of, wat bij oude doffers wel voorkomt, wenkbrauwen boven de ogen is sterk foutief.

De kopdracht

Wensen we zo horizontaal mogelijk, als de snavel zo ver naar beneden is gericht dat er een veerscheiding in de hals ontstaat, moet dat streng worden bestraft. Dieren met zo'n kopdracht vertonen vaak een z.g. hengstennek.

Snavel

In de standaard wordt de snavel als krachtig en middellang omschreven.. Dieren. met een prima schedelbreedte heb- ben vrijwel altijd een prima bekaanzet. Dieren met spitse, getrokken koppen, bij wie het ontbreekt aan "Stirn' hebben ook te lange smalle snavels. Vooral in de witte kleurslag vertonen dieren met uitmuntende kopbreedtes soms brede ondersnavels waar de bovensnavel a.h.w. helemaal invalt. Voor de show zijn dergelijke dieren niet bruikbaar. In de fok kunnen ze nog niet worden gemist. Bij langdurige, sterke selectie op passende snavels moet men er op beducht zijn niet te vervallen in het andere uiterste (Kings met lange, dunne snavels en te smalle schedels). Een iets brede ondersnavelaanzet (in bovenaanzicht) van mondhoek tot waar de neusdoppen beginnen, wordt in de speciaalclub getolereerd.

Snavelkleur,

Bij wit, vleeskleurig (liefst rood doorschijnend). Bij sierduivenrood en geel en getijgerd in rood en geel; waskleurig. Bij bruinzilver en dunkleurig hoornkleurig. Bij alle Kings met de zwartfactor zoals blauw zwartgeband, gekrast, blauwgetijgerd, blauwbont, zwart, zwartgetijgerd en zwartbont; verlangen we een diep zwarte snavelkleur. Bij de .beschrijving van de diverse kleurslagen gaan we op de gewenste snavelkleuren dieper in. De kleur van de nagels is overeenkomstig met de hierboven beschreven snavelkleuren.

Oogkleuren.

Bij de wittten donker en bij de bruinzilvers parelkleurig. Alle andere kleurslagen (ook de getijgerden en de bonten) moeten een vurig oranjerode oogkleur vertonen.

Meer over de gewenste oogkleuren bij het hoofdstuk over de diverse kleurslagen.

Oogranden.

Smal en van fijne structuur, de kleur aangepast aan de veerkleur. Bij de witte kleurslag wordt een levendig rode oogrand geëist. Hierbij wordt de voorkeur gegeven aan het z.g. bietenrood (rood wat naar blauw paars neigt). Licht rode oogranden bij andere kleurslagen worden (nog) niet bestraft Bij witte Kings verbleken de oogranden naarmate ze ouder worden. Maar ook bij driejarigen kan men nog rode oogranden eisen.

Bevedering

Kings moeten een strakke, brede en korte. veerstructuur hebben, met soepele slagpennen die buigzaam zijn aan de toppen. Wat we willen is een rijke en malse bepluiming, niet te hard en wat bij de bij de rode en gele kleurslagen vaak voorkomt, ook niet te zacht. De kwaliteit van de bevedering kan men het beste beoordelen nadat de duiven een bad genomen hebben. Het beste gevederte is het snelst weer droog. Duiven die een halve dag nodig hebben om op te drogen hebben beslist de verkeerde veerstructuur.

Hoe moeten ze aanvoelen:

Vol en mals, dus beslist niet loodzwaar. Duiven waarbij geen borstbeen meer te voelen is zijn te vet. Duivinnen met een sponsachtige achterpartij zijn voor t.t. en de fok niet meer bruikbaar.

 De basis van iedere succesvolle fokkerij is selectie. Zonder selectie is in geen enkele fokkerij blijvend succes. of vooruitgang mogelijk. Men kan op vrijwel iedere hoedanigheid selecteren, maar naast de selectie op type, stand, kopbelijning enz. (dus zichtbare kenmerken) is de selectie op gezondheid, vitaliteit, vruchtbaarheid enz. zo mogelijk nog belangrijker. Selecteren op gezondheid en vitaliteit doen we letterlijk 365 dagen per jaar.

Dunbastige eieren kunnen we beter maar gelijk verwijderen, achttien dagen bebroeden overleven ze toch niet en als ze in het nest kapot gaan geeft het alleen maar een kliederboel. Het liefst hebben we eieren van normale grootte en vorm, Extreem grote eieren bevatten meestal dubbeldooiers en bijzonder kleine eieren komen niet uit. De vorm van de eieren is minder belangrijk, ook uit lange smalle en vrijwel kogelronde eieren kunnen normale Kings komen.

De volgende selectie vindt plaats bij het uitkomen, jongen die er niet zelf in slagen zich van de basten te ontdoen zullen later zelden een aanwinst van ons bestand vormen, Bij het ringen op de achtste/negende dag controleren we de papjongen nauwgezet, echte achterblijvers, jongen met verdrogingsverschijnselen of misvormingen worden verwijderd. Men probeert, zeer zeker in het vroege voorjaar nesten met twee jongen te vormen, later in het seizoen groeien jongen alleen iets sneller op.

De gezondheid van de ouders kan men van de jongen aflezen. Zogenaamde nestspuiters (jongen met steeds dunne ontlasting) ruimen we op. De ouders hebben waarschijnlijk een coccidiose-besmetting. Ook jongen die slecht in de veren komen, met hun buispennen doen ze wat aan stekelvarkens denken, kunnen we niet gebruiken. Na het spenen vallen er soms nog meer af, jongen die niet vlot gaan vreten krijgen soms alsnog een krom borstbeen. Voor de show zijn ze dan ongeschikt voor de fok maakt het echter niets uit. De volgende fase is het opgroeien van piepers tot volwassen Kings. Jonge Kings met een prima eetlust, die goed in het vlees zitten en vlot ruien daar moet onze blik op gericht zijn. Het moet een vaste gewoonte worden, iedere keer als we in het hok komen, met een kritisch oog het opgroeiende spul te bekijken. Van jongen die negatief opvallen door dat ze geen eetlust tonen of z.g. bol zitten noteren we de ringnummers. Na enige dagen moeten ze weer fit zijn.

Kings die bij een normale goede verzorging niet gezond blijven, terwijl hun hokgenoten dit wel doen, worden opgeruimd. Het heeft geen enkele zin met iedere duif die iets mankeert een dierenarts op te zoeken, die tijd, moeite en aandacht kunnen we beter aan de gezonde Kings besteden. De grote najaars selectie heeft een ander doel, nu gaat het erom Kings die toch niet bruikbaar zijn voor de fok en ook voor de tentoonstelling ongeschikt zijn er uit te se1ecteren. Het is zinvol om deze selectie in twee keer te doen, de eerste selectie, die ongeveer half September plaats moet vinden, moeten we als een soort grove zeef zien. Oude dieren die in de fok teleurstelden moeten nu plaats maken voor hun opvolgers. Hierbij moeten we echter bedenken dat de nafok altijd het resultaat is van de combinatie, ook koppels die in een bepaald jaar helemaal niet sporen kunnen in een volgend seizoen wel een topjaar beleven. De jonge Kings hebben we nu drie maanden of langer in het hok gadegeslagen, voor we definitief onze mening opmaken moeten we ze ook in de sbowkooi bekijken, zoals met zoveel dingen kan dat positief maar ook zeer negatief uitvallen. Het komt voor dat plaatjes op het hok in een tentoonstellingskooi totaal niet willen showen, ook trainen sorteert dan weinig of geen effect. Als showdieren zijn dergelijke Kings natuurlijk niet bruikbaar

Het omgekeerde gebeurt ook wel, jonge Kings die op het hok niet opvallen maar in een tentoonstellingskooi zich optimaal presenteren. Maar zoals we al stelden nu gebruiken we nog de grove zeef, type, stand en kopbelijning daar letten we op. Lange en smalle dieren zijn vaak erg nauw gesteld, dat verbeterd maar weinig als ze ouder worden. Te kleine Kings met te kleine en te spitse koppen zijn als fok- en showdier niet bruikbaar. Echt forse Kings zijn vaak wat laag gesteld maar zijn voor de fok waardevol. Beginnende fokkers doen er goed aan met hun jonge Kings naar de fokkersdag te komen, ze hebben dan de mogelijkheid hun dieren te vergelijken met die van anderen..

De tweede en definitieve selectie doen we ongeveer half november, nu behoren we te weten met welk aantal koppels we het komend seizoen willen fokken. Met de samenstelling van de koppels zijn we, althans op papier, vrijwel rond. We weten welke duiven we voor de fok willen inzetten.. Een of twee duivinnen extra, die eventueel op bet jongeduivenhok kunnen verblijven, kunnen enorm van pas komen, losse doffers geven gewoonlijk problemen.

Indien men ruimte heeft voor acht koppels moet men niet proberen er tien in onder te brengen De totale produktie van tien koppels ondergebracht in een ruimte voor acht is beslist kleiner als die van acht koppels. In twijfelgevallen kan men beter met zes of vijf koppels het nieuwe seizoen beginnen, dan Kings aan te houden waarvan men in redelijkheid geen bruikbare nafok kan verwachten. Vooral aan onze fokduivinnen stellen we hoge eisen, die moeten fors zijn en goed uitgegroeid, kort van type (liefst niet ouder dan vijf jaar) en last but not least een prima kopbelijning hebben. Bij de doffers selecteren we sterk op mannelijke types. Dus Kings die al op jonge leeftijd tonen dat het echte doffers zijn Wat kortheid van type betreft zijn we bij doffers toleranter, om een goede bevruchting mogelijk te maken willen we geen extreem korte dieren. Doffers gaan als regel langer mee dan duivinnen, ook doffers van 7 á 8 jaren oud kunnen als fokdier nog prima voldoen. Jonge doffers in juli geboren kunnen eind januari al met succes voor de fok gebruikt worden. Bovendien hebben we bij de doffers vaak iets grotere keus. Bij de selectie moeten we bedenken dat gemiddeld minder dan 10 % van de nafok de zelfde hoge kwaliteit bereikt van de ouderdieren, als we ieder jaar enkele Kings kunnen fokken die tot toppers uitgroeien mogen we ons zelf bet predikaat topfokker toekennen. Het is natuurlijk niet zo dat de overige 90 % niet geschikt is om verder mee te fokken.. Een groot gedeelte hiervan, mits met de juiste partner gepaard, kunnen prima fokdieren blijken te zijn.

Aan de vruchten herkent men de boom.

Achteraf zullen we vaak vast stellen dat de kwaliteit van de nafok van bepaalde dieren veel beter is dan hun uiterlijk doet vermoeden. Bij oude dieren waarvan de fokresultaten bekend zijn. houden we daar rekening mee, bij de selectie van jonge dieren. kan dat geen rol spelen..

Wat doen we met de overtollige Kings ?

Probleemdieren qua gezondheid of vruchtbaarheid verkopen we natuurlijk niet verder, ook Kings die aan de handel verkocht worden komen uiteindelijk weer bij fokkers terecht. Kings met een voor ons beperkte raswaarde zijn voor de export nog wel gewild,. men kan dan vooraf bedingen dat ze niet. in Nederland verkocht mogen worden. De vraag naar goede Kings is nog vele malen groter dan het aanbod, Kings met schoonheidsfoutjes, die ze ongeschikt maakt voor de tentoonstelling kunnen prima. fokdieren zijn.

 Voor het fokken van prima Kings hoeft men beslist geen superfokker te zijn. Kings zijn robuuste duiven die probleemloos drie of vier ronden jongen per seizoen groot kunnen brengen. De vererving van de raseigenschappen is bij de Kings erg goed. De kwaliteit van de nafok, is naast de verzorging, volledig afhankelijk van welke. ouderdieren men voor de fok inzet. Door selectie en weloverwogen samenstellen van fokparen streven we er naar ieder jaar jongen te fokken die bet beeld van de ideale King weer dichter benaderen.

Voor dat doel hebben we aan acht fokparen genoeg. het is ons er niet om begonnen hele hokken vol jonge duiven te fokken, maar juist die jongen die wat extra's hebben waarmee we met succes aan de tentoonstellingen kunnen deelnemen. Uit deze jongen selecteren we dan weer de toekomstige fokdieren. Vooral beginners in de duivensport denken dat er een of andere geheime methode is waardoor dezelfde fokkers ieder jaar opnieuw winnende dieren in de kooien kunnen brengen. Die methode bestaat inderdaad. Hij bestaat uit 365 dagen per jaar geconcentreerde aandacht voor ieder detail van de verzorging, zodat alle jongen de optimale opfok krijgen. Via de genen van hun ouders hebben sommige jonge duiven het inzicht om uit to groeien tot een topper, het is de taak van de fokker dat dit ook gebeurt. Bij de fok van gebruiksdieren zoals leg,- of vleeskippen maakt men vaak gebruik van inteelt om bepaalde eigenschappen in een stam vast te leggen. De echte nut- of gebruiksdieren zijn dan ook meestal kruisingsprodukten van twee parallel gefokte niet verwante inteeltstammen.

Voor het zogenaamde heterosiseffect (bastaardsterkte) zijn dit bijzonder vitale dieren. Deze kruisingen moet men beschouwen als eindprodukten waarmee niet verder wordt gefokt. Volledigheidshalve geven wij hier een schema van een lijnenteelt. Broer x zusterparingen (de strengste vorm van inteelt) zijn in dit schema vermeden.

Bij dit schema wordt de F.1 generatie terug gepaard aan do stamouders. F.1 doffer x stammoeder en Fl. duivin x stamvader. De F..2 generatie wordt terug gepaard aan de F.1 generatie en aan de stamouders. Omdat de meeste fokdieren niet meer dan drie jaren voor de fok gebruikt worden is ook in dit fokschema van verdere inzet van de stamouders afgezien.

Fokmethode.

Een bekend bijeffect van intelen is het kleiner worden van dieren, reeds na enige generaties is dit merkbaar. Zelfs bij volkomen inteelt- resistente diersoorten is dit vast te stellen. In de duivenfokkerij is er ook nog het gevaar van verminderde vruchtbaarheid het. Te sterke en te lang volgehouden inteelt kan men beter vermijden. Vooral bij Kings waar de grootte zo'n belangrijk raskenmerk is, zou men steeds verder van het doel verwijderd raken. Het heeft geen enkele zin om andere rassen in de Kings in te kruisen, voor verbetering van het type of de kopbelijning is er geen enkel ras wat ons van dienst kan zijn. Alleen voor het creëren van nieuwe kleurslagen kan zo iets zijn nut hebben. Als we voor de kleur te leen gaan bij een ander ras ligt do zaak eenvoudig als het gaat om een dominant verervende kleur zoals b.v. Andalusier of Indigoblauw. Het ras dat we in willen kruisen moet naast de gewenste kleur qua type zoveel mogelijk op de King lijken. Stel dat we voor dit doel een Indigo- of Andalusierblauwe Eng. Modena aangeschaft hebben, dit dier paren we dan aan de beste zwarte King waar we onze hand op kunnen leggen. Nu komt het er op aan de Andalusiorblauwe nafok steeds weer terug te paren aan fokzuivere Kings en met behoud van de nieuw verkregen kleur generatie na generatie to selecteren op de overige raskenmerken. Men noemt dit verdringingskruisingen, waarbij men met uitzondering van die gewenste eigenschap (de kleur) alle andere eigonschappon van het ingekruiste rasvreemde dier probeert te verdringen. Het creëren van een recc. verervende kleur is wat moeilijker (zie het hoofdstuk kleurvererving) maar voor de rest geldt het bovenstaande. Als men fokt met een bescheiden aantal Kings (tot zo'n twaalftal koppels) is het meeste succes to verwachten met het opzetten van twee z.g. parallellijnen. Men gaat daarbij uit van do twee beste fokkoppels die men bezit liefst niet verwant. De jongen uit deze koppels paart men onder elkaar, in het tweede fokjaar kan men do ouderdieren onderling omparen en de nafok hieruit weer met de F.1 generatie verparen. Na een aantal jaren zijn vrijwel alle dieren met elkaar verwant, dit vormt geen enkel bezwaar. Te nauwe inteelt zoals broer x zuster of moeder x zoon en vader x dochter probeert men te vermijden. Het is zaak een goed kaartsysteem bij te houden zodat men de mate van verwantschap eenvoudig vast kan stellen. Met wat geluk dient er zich één of meerdere favoriete kweekkoppels aan waarvan do nafok net dat beetje extra vertoont. Never change a winning team. Een koppel dat. inderdaad prima nafok brengt moet men niet to snel verbreken. Vaak neemt men, onterecht, aan dat alle goede eigenschappen van één der beide partners afkomstig zijn, de qua uiterlijk mindere partner wilt men dan vervangen door een betere. Dit brengt maar zelden hot gewenste resultaat. Na afloop van ieder fokseizoen moet men als het ware van ieder kweekkoppel de balans opmaken. Daarbij moeten alle jongen die men gefokt heeft objectief worden beoordeeld. Die beoordelingen schrijft men met ringnummers in een schoolschrift (bij het samenstellen van do fokparen voor het komende jaar kan men het opnieuw raadplegen). Al gauw zal blijken dat vrijwel ieder fokpaar bepaalde fouten vererft. Die fouten zijn dan, meer of minder sterk, bij alle jongen uit een bepaalde combinatie aanwezig. Door dit te doen voorkomt men ook overdreven waarde te hechten aan een fokpaar waaruit men ooit een bijzonder goed exemplaar heeft gefokt maar dat verder alleen middelmatige of mindere jongen brengt De meeste raskenmerken vererven intermediair, waarbij men er rekening mee moet houden dat ook do verre voorouders van de King veldduiven waren. De tendens naar kleiner en slanker worden en opnieuw het type aannemen van de veldduif is dus altijd aanwezig. Fokken is een proces van hele kleine stapjes vooruit. Op een zo hoog mogelijk niveau beginnen is dus erg belangrijk. In de fokkerij kan men alleen vooruit komen door gebruik to maken van dieren die een bepaald raskenmerk optimaal vertonen. Dit is ook het wezenlijke verschil tussen tentoonstelling en fokdieren Een prima tentoonstellingsdier vertoont zeer goed tot fraai alle raskenmerken waarbij do balans of evenwichtigheid van het geheel de showwaarde uitmaakt. De waarde van fokdieren wordt anders bepaald, hier gaat het erom dat de eigenschap die men wil verbeteren in overdreven mate aanwezig is.

Bijvoorbeeld: Als men te laag gestelde duiven heeft, dan zoekt men ter compensatie dieren met een extreem hoge stelling. Voor dieren met te vlakke koppen zoekt men naar Kings met een soort Engelse langvoorhoofd-tuimelaar kop. Voor Kings met wat lange ruggen zoekt men niet naar een korte maar naar een superkorte King..

U begrijpt inmiddels wel wat de bedoeling is, maar oppassen dat ook de andere raspunten in zeer goede tot fraaie vorm aanwezig zijn. Het is een bekend feit in do duivenfok dat voor iedere verbeterde fout er twee andere binnen worden gehaald.

Verkregen fouten vererven niet !

Kromme borstbenen, kruissnavels, hangvleugels, bleke oogranden bij de witten op oudere leeftijd, al deze fouten verminderen de waarde van een fokdier niet, duiven die deze fouten vertonen kunnen probleemloos voor de fok worden ingezet. Maar vooral kopfouten, zoals te smal en/of te vlak in schedel, lange dunne snavels, veel te brede ondersnavels, te veel achterkop of spitse getrokken koppen maken Kings., al is het type nog zo good., vrijwel. onbruikbaar als fokdier. Dit soort fouten vererft sterk, ook de nafok zal, in mindere of meerdere mate deze fouten vertonen.

Compenseren (te veel met te weinig) heeft als fokmethode vooral nut bij het fokken van kleurduiven. Bij intermediair verervende kenmerken zoals schedelbreedtes en kopbelijningen heeft dat minder zin. De kans op nafok met fraaie schedelbreedtes als één van de ouderdieren een spitse, smalle kop heeft is vrijwel nihil. Veel duivenfokkers beginnon eind september al met het samenstellen van de fokparen voor het nieuwe seizoen, althans op papier. Met het voorbije fokseizoen nog vers in het geheugen kan dat zijn nut hebben. Vooral oude dieren waar men al een aantal jaren mee gefokt heeft kent men door en door, daarvan weet men of ze hun jongen betrouwbaar groot brengen, of hun nafok groot uitvalt of juist wat aan do kleine kant enz. Omdat samenstellen van fokparen good te kunnen doen is het makkelijk als we van de duiven een soort omschrijving hebben. Die omschrijving moet niet alleen het uiterlijk beschrijven maar ook geb. data, afkomst en bij overjarige dieren de gegevens van vroegere fokperiodes bevatten. De in omloop zijnde fokkaarten zijn voor dit doel nog to summier (schoolschriften voldoen beter)

Nu gaat het erom om een of meer topkoppels to formeren, koppels waarvan we verwachten dat ze fraaie tot uitmuntende nafok kunnen brengen. Het is vooral zaak dat deze dieren op raskenmerken die intermediair vererven hoog scoren, vooral op de kopbelijning kan men niet kritisch genoeg zijn. Het is opvallend dat wat langere dieren (lang in de rug) vaak ook wat lager zijn gesteld, maar indien ze breed, vol en diep van borst zijn kunnen ze, mits gepaard aan een korte en hooggestelde partner, prima nafok brengen. Dit verhaal gaat niet op voor Kings die lang in rug en lang in staart zijn, daar moet men niet mee fokken. Kings met lange staarten hebben vrijwel altijd een verkeerde veerstructuur, met smalle lange veren.

Kings met een vlakke borst (waarbij de vleugelbogen aan de voorkant zichtbaar zijn en voor de borst uitkomen) suggereren soms een fraaie beenlengte, door de opgetrokken buik wordt dit beeld nog versterkt. Behalve als voedsterduif hebben ze in een kweekhok niets te zoeken. Kings met een fraai type maar in feite te klein kan men met enig voorbehoud gerust voor de fok gebruiken, de jongen zijn meestal weer aan de maat.

Voor de fok zijn forse goed uitgegroeide duivinnen onontbeerlijk. Goede duivinnen kan men probleemloos tot hun zesde jaar voor de fok inzetten, als ze bij meerdere legsels maar één ei produceren is het einde van hun fokloopbaan in zicht, maar ook duivinnen van acht jaar en ouder kunnen nog volop vruchtbaar zijn. Doffers zijn met zeven maanden al vruchtbaar, dus herfstjongen kan. men eind februari al voor de fok inzetten Te grote, grove duivinnen (z.g. manwijven) geven alleen problemen in de fok, in het voorjaar willen ze niet paren en hun te grote eieren bevatten vaak dubbeldooiers. Ondanks uitmuntende raskenmerken zijn Kings bij wie het ontbreekt aan vitaliteit voor de fok van geen enkel nut. Het meest belangrijke in iedere fokkerij zijn gezonde, vitale dieren die zonder problemen voor een talrijke en gezonde nafok zorgen.

Over het samenstellen van fokparen kan men veel op papier zetten, feit is dat men moet roeien met de riemen die men heeft. Vooral voor beginnende fokkers is het zeer moeilijk om goed fokmateriaal bemachtigen. Echt goede dieren zijn niet snel te duur. Jarenlang tobben met duiven die het op allerlei punten laten afweten is erg ontmoedigend. Vruchtbaarheid en vitaliteit zijn eigenlijk de belangrijkste eisen die pas beginnende fokkers bij aan te kopen dieren moeten stellen. Als men er niet in slaagt jongen te fokken, keert men teleurgesteld, het ras de rug toe Naarmate men het ras beter leert kennen, stelt men hogere eisen en is men beter in staat te beoordelen of aangeboden dieren hun prijs waard zijn. Op de grote shows in Dld. worden altijd veel Kings te koop aangeboden. Bij de opening heeft men de grootste keuze. Ook hier geldt wie het eerst komt wie het eerst maalt. Het best kan men, vergezeld van een ervaren fokker al bij do opening aanwezig zijn. Het verkoopbureau is gewoonlijk pas wat later geopend, in tijd van een mum vormt zich hier een stoet kooplustigen. Indien één van beiden zich in de rij opstelt; kan de andere aan de hand van de catalogus de aangeboden dieren bekijken en de gewenste kooinummers doorgeven. Bij het maken van een keuze geldt ook hier dat een hoge vraagprijs geen garantie voor kwaliteit inhoudt, sommige uitsluitingsfouten verminderen wel de vraagprijs maar niet de fokwaarde. Kings die het op meerdere raskenmerken laten zitten zijn voor iedere prijs te duur. Bij een vertrouwde fokker thuis kopen heeft voordelen, de keuze is natuurlijk kleiner dan op een grote show, maar men kan in alle rust zijn keuze bepa1en.

Het fokseizoen is voor duivenfokkers een jaarlijks terugkerend hoogtepunt van hun hobby. Op papier is men al maandenlang bezig geweest met het samenstellen van do fokparen. Om vechten te voorkomen hebben de doffers al de hele winter doorgebracht in het toekomstige kweekhok, de zitschappen zijn verwijderd zodat zij gedwongen zijn om in een broedhok te verblijven. In navolging van de postduiven-liefhebbers geven tegenwoordig ook de meeste sierduivenfokkers een voorbehoedend kuurtje togen het geel. De beste tijd hiervoor is ongeveer twee weken voor het koppelen. Ook een eventueel noodzakelijke wormkuur moet uiterlijk twee weken voor hot koppelen plaats vinden. Te lichtvaardig moet men niet ontwormen, het beste kan men de mest van enkele verdachte duiven door de dierenarts op wormeieren laten onderzoeken.

Het is belangrijk dat duiven waar men mee wilt fokken niet te vet zijn. Om die reden wordt 's winters krap gevoerd, de laatste weken voor het koppelen voeren we wat royaler, het percentage gerst wordt verminderd en het percentage erwten, bonen of andere peulvruchten verhoogd. Vooral van wat extra hennep worden duiven paarlustig. Het is jammer dat tarwekiemolie zo duur is. Tarwekiemolie bevat veel vitamine E, van vitamine E is vastgesteld dat het een zeer positieve invloed heeft op het bevruchtingspercentage. Het is verkrijgbaar in reformwinkels en zaken voor dierbenodigdheden. De toepassing is een dessertlepel tarwekiemolie op 1 kg. duivenvoer.

Zeer vroeg koppelen of juist wat later, voor beide standpunten zijn argumenten te vinden. Voor ons ras is eind januari vroeg genoeg, ongeduldige fokkers zetten hun dieren begin december al bij elkaar maar dan zijn de jonge duivinnen nog niet volledig uitgegroeid. Als men te lang wacht komt men al snel in tijdnood, de eerste ronde gaat er gewoonlijk veel mis. Onbevruchte eieren, dunbastige eieren, vertrapte eieren, duivinnen die maar niet willen leggen, zo zijn er nog wel meer oorzaken waardoor de resultaten tegenvallen, de tweede ronde gaat gewoonlijk al veel beter en bij de derde ronde begint zich af te tekenen of het al of niet een goed fokjaar zal worden.

De Fok :

Het bij elkaar zetten der fokparen doet men bij voorkeur vóór het weekend, dan heeft men twee dagen om de zaak in de gaten te houden, de meest geschikte tijd is 's avonds als het al begint to schemeren. In de fris gewitte broedhokken heeft men al een laagje droog rivierzand gedaan, in een der hoeken plaatst men een omgekeerde broedschotel daarop kan de duivin zich onttrekken aan een al te opdringende doffer.

De 2e dag zorgt men vroeg ter plaatse te zijn, de meeste koppels zijn dan inmiddels gepaard. Ideaal is het wanneer de doffer al in een hoek ligt te roepen en de duivin al tekenen van toenadering toont. Voer of water hoeven we nog niet te geven, daar hebben ze toch geen belangstelling voor en dat voorkomt knoeipartijen. Ieder jaar zijn er weer probleemkoppels waarbij de duivin niets van de doffer wilt weten, vooral duivinnen die onderling gepaard waren bezorgen moeilijkheden. Als de doffer constant achter de duivin aanjaagt en haar met snavelpikken uit het broedhok wilt verdrijven, kan men het beste een gazen tussenschotje plaatsen waarbij de dieren elkaar wel kunnen zien maar niet verwonden. In de namiddag kan men al enkele koppels, die goed gepaard lijken te zijn, om toerbeurt op het hok loslaten. Koppels die ook vorig jaar een paar vormden en weer het zelfde broedhok kregen toebedeeld hebben al enkele uurtjes de vrijheid gehad en worden weer opgesloten. Een voor een krijgen de overige gepaarde koppels de vrijheid, de meeste duivinnen volgen hun nieuwe partner meteen en weten al snel het voor hun bestemde broedhok te vinden.

Duivinnen die in een vorig seizoen in een ander broodhok thuishoorden geven meer moeite. Indien men broedhokken genoeg heeft kan men het betreffende broedhok enige dagen afsluiten Nog moeilijker wordt het. als ook de partner van vorig jaar. weer in het zelfde broedhok wordt ondergebracht. In dat geval is het tijdelijk onderbrengen, van de vroegere partner met zijn nieuwe duivin, op het jongeduiven hok de beste oplossing. Oude jampotten voldoen prima als drinkbakjes in de broedhokken, om omgooien tegen te gaan moet men ze met een binddraadje aan de spijltjes bevestigen. Tot er eieren in de nesten liggen kan men in ieder broedhok zo'n drinkpotje aanbrengen. Sommige doffers geven hun duivinnen vrijwel geen kans om te eten of te drinken. Koppels die langer opgesloten moeten blijven moet men ook van grit voorzien.

Om de duivinnen het aanvliegen naar hun broedhokken snel bij te brengen, krijgen ze daar de eerste dagen hun voer, dit voorkomt veel schermutselingen. De tweede dag na het samen zetten kan men al meerdere paren tezamen loslaten, soms is het een chaos maar verwonderlijk genoeg zit 's avonds weer haast alles bij de goede partner. Een werkelijk pest op het hok zijn vechtlustige en agressieve doffers die meerdere broedhokken willen bezetten. Een echte remedie is er niet voor, zelfs na langdurig opsluiten vallen ze weer in hun oude fouten, vertrapte eieren of jongen zijn dan het gevolg. Omdat ze weinig aandacht voor hun duivin hebben laat de bevruchting van dit type doffers ook nog te wensen over. Fokkers die hun duiven in z.g. cellen houden blijven van deze problemen gevrijwaard. Het is makkelijk als men met één blik kan zien of de goede dieren bij elkaar zitten, met de in de handel zijnde verschillend gekleurde plastic ringen is dat eenvoudig te verwezenlijken, een dot verf in de corresponderende kleur op het deurtje van het broedhok maakt het nog overzichtelijker. Indien men later de opgroeiende jongen met de zelfde kleur ringt geeft dat veel voordelen, o.a. bij het terug plaatsen van uit het broedhok geraakte jongen of na het spenen als ze met de andere jonge duiven in de jongeduiven afdeling verblijven weet men steeds van welke ouders ze zijn. Zo'n vier dagen na het koppelen krijgen ze een broedschotel. Voor de Kings zijn gewone postduivenschotels minder geschikt, er zijn ook grotere in de handel met een doorsnede van 26 tot 28 cm. Het mooiste zijn de schotels waarvan do bovenrand naar binnen gebogen is, dit voorkomt effectief dat het nestmateriaal er steeds wordt uitgewerkt. Een rond geknipt stuk afvaltapijt in de schotel geeft een prima isolatie en voorkomt kapot gedrukte eieren. Als we de schotels in een krant verpakken zijn ze zonder moeite schoon te maken. Als nestmateriaal kunnen we kortgeknipt stro gebruiken (10 cm. is een prima lengte). Tabakstelen zijn veel te hard en ongeschikt als nestmateriaal voor Kings, ook hooi wat aan de poten blijft hangen is taboe. Kortgeknipt stro gooien we in een hoek van het hok, sommige doffers slepen daar de hele dag mee terwijl andere er geen belangstelling voor hebben. In Dld. maken de Kingfokkers vaak gebruik van zelf gemaakte broedkistjes, vier plankjes van 28 x 8 cm.. en 1,5 tot 2cm dik worden tot een raamwerk aan elkaar gespijkerd, hierover spant men een stuk jute of linnen (zo dat het een ondiep kuiltje wordt gevormd) met kopspijkertjes wordt dit vastgezet. Nestmateriaal wordt in dit soort kistjes niet gebruikt.

Na een week moet de rust op het hok zijn weergekeerd, als het goed is zijn nu alle koppels gepaard en weten hun broedhok te vinden. We kunnen nu weer overgaan tot voeren in de voergoot, omdat vrijwel alles aan het drijven is mag deze wat langer blijven staan.. Duivinnen die te scherp worden kan men in de broedhokken nog wat bijvoeren. ongeveer tien dagen na het koppelen kan men eieren verwachten, liever niet veel eerder want z.g. drifteieren zijn gewoonlijk niet bevrucht. De oude koppels die ook vorig jaar een paar vormde hebben meestal het eerste eieren. Nestplakkers, duivinnen die al vanaf. de tweede dag vast op het nest gaan zitten, leggen gewoonlijk onbevruchte eieren, met de doffer opsluiten in de volière helpt soms. Of de duiven vlot leggen is sterk afhankelijk van het weer, met echt strenge vorst kan men beter iets bijverwarmen (iets boven het vriespunt is voldoende). Jonge duivinnen die met strenge vorst hun eerste ei moeten leggen hebben het erg moeilijk.

Duiven leggen hun eerste ei gewoonlijk tussen vier en zeven uur in de namiddag, zo'n 45 uren later kan men het tweede verwachten. In verband met eventueel overleggen en dergelijke is het zaak de datum van leggen te noteren. Met behulp van gekleurde plastic ringen kan men makkelijk vaststellen van welke ouder de jongen afkomstig zijn. Dit is eenvoudiger dan het steeds controleren van ringnummers. Ook het nummeren van de broedhokken is een goed hulpmiddel. De fokkaarten met doorlopende nummering werken erg makkelijk, stel dat het eerste ei gelegd wordt op 10 februari dat is do 41e dag van het jaar, de verwachte uitkomstdatum (20 dagen later, dus de 61e dag van het jaar) 2 maart is al aangegeven. Als de duiven goed gezond zijn en ook het weer werkt mee, heeft alles met veertien dagen eieren. Onbevruchte eieren bij overjarige duivinnen kunnen we het beste meteen weghalen, tien dagen later liggen kunnen we nieuwe verwachten.

Als het tweede ei vijf tot zes dagen is bebroed kunnen we met zekerheid vaststellen of het legsels al of niet bevrucht is. Onbevruchte eieren van jonge duivinnen kan met beter niet meteen weghalen, die willen we niet dwingen om onmiddellijk weer opnieuw te leggen. Het beste zou zijn een stel bevruchte eitjes van een ander koppel onder te leggen. De cyclus van broeden, jongen voeren en opnieuw leggen is de beste voorbereiding voor bevruchte eieren in de volgende ronde.. Als we niet beschikken over vervangende eieren mogen ze de rit uitzitten. Na 18 dagen nemen we de doffer weg, na zo'n vier dagen plaatsen we hem weer terug bij de duivin. Op deze manier beginnen ze vlotter aan een nieuw legsel, en voorkomen we het te lange zitten op niet bevruchte eitjes. Met eieren kan veel misgaan. Kings zijn zware duiven en we moeten er voor zorgen dat ze tijdens het broeden de eieren niet stuk drukken. Tapijt in de schotels of met jute bespannen kistjes zijn enkele van die voorzorgen. Met droog schelpenzand gevulde kistjes is voor Kings beslist niet aan te raden. Echt onvruchtbaar komt maar weinig voor, als de eerste ronde niet bevrucht is hoeft men beslist nog niet om te paren. Als men niet kan beschikken over meerdere hokken is dat omparen makkelijker gezegd dan gedaan. In overbevolkte hokken is het percentage niet bevruchte eieren vaak erg hoog.. Ook kuren met antibiotica heeft vaak een zeer negatief effect op de bevruchting. Dunschalige eieren kan men beter meteen verwijderen, ze gaan toch kapot waarbij nest en ouderdieren worden bevuild. Duivinnen die vaker dunbastige eieren leggen zijn niet geschikt als kweekduif. In een broedmachine heeft men meer kans om dergelijke eieren uit te broeden, na uitkomst kan men de jongen door hun eigen ouders groot laten brengen.

Door uitwerpselen bevuilde eieren komen als regel niet uit, door de binnendringende bacteriën sterven de embryo's af. Ook wassen van bevuilde eieren heeft weinig zin, daardoor wordt het beschermende waslaagje verwijderd. met als gevolg dat de embryo's afsterven. Bij het ontwerpen van de broedhokken moet men er rekening mee houden dat eventuele nestjongen het volgende legsel niet kunnen bevuilen. Door do broedschotels op een kistje te plaatsen of nog beter het gebruik van z.g. etagebroedhokken kan men die narigheid voorkomen. Het aantal oorzaken waardoor embryo's afsterven kan legio zijn, maar vooral als het bij bepaalde dieren steeds weer voorkomt moet men denken aan paratypus-besmetting. Als de duivin daar ooit besmet mee is geweest kunnen de bacteriën zich hebben genesteld rond het ovarium of de eileider, zelfs de jongen die in leven blijven zijn dan vaak besmet met en daardoor verspreider van de gevreesde paratyfus. Een andere oorzaak van het afsterven in de dop kan zijn dat de ouderdieren onvoldoende mineralen en vitamine ter beschikking hadden. Dood in de dop, zoals het afsterven bij het uitkomen wel wordt genoemd , kan ook als oorzaak een te lage luchtvochtigheid van de omgeving zijn waardoor het eivlies indroogt en taai wordt, dit speelt vooral in het voorjaar als er wordt bijverwarmd. Te eiwitrijk voer wordt bij kippen wel als oerzaak genoemd bij slechte uitkomst resultaten, bij duiven is daar nog weinig onderzoek naar gedaan. Als men op de verwachte datum de lege eierbasten in het broedhok ziet liggen is de eerste fase met succes voltooid.

Jonge Kings pikken de eieren vaak onregelmatig aan, mooi rondom het kapje aanpikken zo als postduiven doen schijnt hun niet to lukken. Na het eerste aanpikken (zichtbaar als een kleine verstoring van het gladde oppervlak) slagen ze er gewoonlijk in zich binnen 24 uur te bevrijden. Als ze na 24 uur alleen maar een klein kijkgaatje hebben gepikt ziet het er somber uit, door het indrogen kunnen ze zich niet meer in het ei draaien om verder rond to pikken. Het is een principekwestie of men geboortehulp toe wilt passen. Het zijn nooit de sterkste jongen die men moet helpen en de selectie moet eigenlijk al hier beginnen. De basis voor een krachtige en vitale stam duiven kunnen zulke jongen nooit vormen.

Soms is wat speeksel ingebracht via het kijkgaatje al voldoende om het jong in staat te stellen zich van de eischaal te ontdoen. Men kan ook met uiterste voorzichtigheid het gaatje wat groter maken en door aan de snavel te trekken het kopje vrijmaken. Nooit het hele jong uitpellen vaak is de dooierzak nog niet volledig ingetrokken en zou men een bloeding veroorzaken. Bevruchte eieren die op de uitkomstdatum nog niet zijn aangepikt moet men niet te snel verwijderen, soms komen die tot wel twee dagen later als verwacht, nog probleemloos uit.

Te pas en te onpas controleren van kale jongen heeft geen enkele zin. De eerste dag verwijderd men de lege doppen en zo rond de vierde dag kijkt men of alles nog leeft en gezond is. Als ze zo'n acht dagen oud zijn worden ze geringd (ring onderste boven aan de rechtse poot) tijdons het ringen worden de jongen nauwkeurig gecontroleerd, echte achterblijvers en jongen met afwijkingen worden verwijderd. Jongen van deze leeftijd kan man probleemloos overleggen, twee jongen per nest is te verkiezen boven het alleen opgroeien. Vooral in het koude voorjaar kunnen twee jongen elkaar beter verwarmen, ook afwijkende vleugeldracht waarbij de slagpennen van het lichaam afstaan komt praktisch alleen voor bij jongen die zonder nestgenoot opgroeien.

Jonge Kings groeien snel, het skelet kan die groei niet altijd bijbenen kromme borstbenen zijn dan het gevolg, extra vitamine en kalk kunnen dat voorkomen. Kings, met afwijkende borstbenen, geven we vanaf het ringen dagelijks kalktabletjes aangevuld met een enkele keer een vitamine AD tabletje of levertraancapsule.. Hier gaat men mee door tot twee weken na het spenen. Door dit nauwgezet te doen komen er bij gezond opgroeiende jongen geen sterk afwijkende borstbenen meer voor.

Krap voeren (ook als ze jongen hebben) blijft gebod no.1

Door te royaal te voeren wakkert men de geslachtsdrift. aan, ze hebben dan meer belangstelling voor hun partner dan voor hun hongerige jongen. Een te snelle opeenvolging van legsels moet men voorkomen. De overgang van pap naar hardvoer verloopt niet altijd even soepel, vooral de doffers laten het dan even afweten, de kropjes van die kleine dingen kunnen dan akelig leeg zijn. Te grof voer moet men in deze periode beslist niet geven. In het algemeen zijn de Kings zorgzame ouders die hun jongen goed. groot brengen. Kings die hun jongen verwaarlozen moet men, ongeacht hun verdere hoedanigheden, zo snel mogelijk opruimen. Als het noodzakelijk is b.v. door verloren gaan van de ouderdieren kan men jonge duiven makkelijk met de hand grootbrengen. Voorwaarde is dat ze tenminste een week oud zijn. Vroeger moest men zijn toevlucht nemen tot een opfokkorrel voor kalkoenen, tegenwoordig kan men voor dat doel de P.40 duivenkorrel gebruiken.. Op de duivenkorrel giet men heet water, nadat het is afgekoeld voegt men er zoveel water aan toe dat het papje nog net door de opening van een voerspuit kan. Een grote injectiespuit is hier prima voor geschikt. Over de opening schuift men een kunststof slangetje. Dij zijn o.a. verkrijgbaar in aquariumzaken. Drie keer per dag vult men het kropje met deze lauwwarme pap. De pap moet men rechtstreeks in de krop spuiten, daartoe zet men het kleine ding in een broedschotel. Nu komt het lastige. Met de linkerhand houdt men het bekje open en buigt men gelijktijdig het kopje iets achterover zodanig de. snavel een doorgaande lijn vormt met het gestrekte halsje, nu kan voorzichtig met de rechterhand het slangetje worden ingevoerd.

Op papier lijkt het een hele operatie in werkelijkheid vergt het maar enkele seconden. Op een leeftijd van 12 tot 14 dagen gaat men over op hardveer, geen toestanden met voorweken van erwten of dergelijke, de gewone mengeling doet men in een asperinebuisje, met de linkerhand houdt men het bekje weer open (zoals hierboven omschreven) en met de rechterhand schudt men het voer erin, nu spuit men nog ongeveer 40 ml. lauwwarm water erbij en men is er weer voor een halve dag vanaf. Duiven op deze manier grootgebracht worden bijzonder tam en aanhankelijk. Papjongen zijn nog niet in staat om hun uitwerpselen over de rand van de broedschotel te deponeren, echt vuil worden de schotels in dit stadium nog niet, met het geven van. schoon en vers nestmateriaal wacht men tot de jongen in de stoppels zitten.

Kranten hebben een gunstige maat om onder de broedschotels te leggen, als men er een stapeltje onderlegt kan men dagelijks de bovenste met mest besmeurde pagina's verwijderen. Op welke leeftijd we ze spenen is gedeeltelijk afhankelijk van onze hokinstallatie. De meeste fokkers houden hun Kings nog steeds in kolonieverband waarbij acht tot twaalf fokparen een hok moeten delen. Jongen die uit hun broedbok geraken kunnen dan onbarmhartig worden toegetakeld. Het aanbrengen van z.g. vluchtplanken waaronder ze kunnen wegkruipen, kan dat niet steeds verhinderen. Om het gevaar van toegetakelde jongen te vermijden speent men liever wat eerder. Spenen op een leeftijd van 22 dagen zoals bij postduiven gebruikelijk is kan men de Kings beslist niet, dan is de terugslag na het spenen te groot. Aan de veergroei onder de vleugels heeft men een goede indicatie, stoppels op die plaatsen vormen geen bezwaar maar met kale plekken zijn ze nog te jong. Liefhebbers die hun Kings in z.g. fokcellen houden hoeven geen rekening te houden met uit hun broedhok rakende jongen, en spenen gewoonlijk wat later. Deze jongen zijn op het tijdstip van spenen al vrij zelfstandig en kunnen al goed zelf eten. De beruchte terugslag na bet spenen komt bij deze jongen vrijwel niet voor. Later spenen als 32 dagen werkt negatief op de verdere ontwikkeling.

Als we schrijven over een jongeduivenhok wordt daar niet mee bedoeld dat we alleen voor de jonge duiven een extra hok met alles erop en eraan nodig hebben. Een kleine ruimte van enkele meters vloeroppervlak, waar ze ongestoord kunnen leren eten, drinken en zelfstandig worden, is voor ons doel genoeg. Een volière of uitloop waar ze in de zon kunnen liggen en een bad nemen, hoort daar eigenlijk bij. Pas gespeende piepers verblijven het grootste gedeelte van de dag (en de nacht) op de grond, we moeten er alles aan doen om ze het daar behaaglijk te maken. Ideaal is een dikke laag beukenhoutsnippers. Bij de uitrusting van de jongenafdeling behoort een lange voergoot (afmetingen; breed 15 cm, hoog 5cm, en lang 120 cm. of langer) zonder spijltjes of bovenbouw. Een open bak voor het drinkwater, waarbij ze het water goed kunnen zien is beter dan de traditionele drinkbakken, een aan de wand bevestigd stukje plaatmateriaal kan vervuiling voorkomen. Spenen doet men bij voorkeur in de namiddag (als ze een goed gevuld kropje hebben). Vooral de eerste dagen na dat spenen zijn kritisch Het is belangrijk dat ze snel zelf leren drinken. Vooral met wat warmer weer kunnen ze niet lang zonder water. Zo vaak men op het hok komt drukt men de kleine dingen met de snavel in bet water, dit moet behoedzaam gebeuren dus niet door ze met de kop onder water te duwen, Pas gespeende jongen zijn erg onhandig en hebben lange tijd nodig om enkele graankorreltjes naar binnen te werken, na enige dagen lukt dat beter, tot die tijd stellen we ze de hele dag voer ter beschikking. Niet te grof, een juniorenmengeling zonder maïs, voldoet het beste. Als ze de waterbak goed weten te vinden kunnen we er zo'n 10 % kunstkorrel aan toevoegen. De 2e dag moet men controleren of ze wel allemaal wat voer hebben binnen gekregen, vrijwel altijd zijn er jongen bij met een geheel lege krop. Nu gaat het erom hard te zijn en niet gelijk beginnen met bijvoeren, eventueel kunnen we ze wel wat water opspuiten zodat we zeker weten dat ze geen dorst hebben. Als de zelfde jongen ook de volgende dag nog steeds een lege krop hebben, kan men beter wat voer opsteken. Nu komt men van de regen in de drup, want met een gevulde krop hebben ze nog minder belangstelling voor wat er in die voergoot ligt. Piepend en vleugelklappend achtervolgen ze hun baas en snappen maar niet waarom ze niet bijgevoerd worden. Uiteindelijk gaan ze natuurlijk allemaal vreten, maar de achterstand in hun ontwikkeling is soms nog lang zichtbaar. Groeistoringen in die periode kan skeletafwijkingen zoals kromme borstkammen of doorgezakte benen veroorzaken. Naarmate de zomer vordert gaat dat allemaal beter, maar gespeende jongen van de derde of vierde ronde hebben het knap moeilijk om aan de bak te komen, hun inmiddels bijna volwassen broers en zusters hebben weinig medelijden met bet kleine grut. Als alle schappen vol zitten is het makkelijker om kordaat op te treden en probleemdieren meteen op te ruimen. De meeste van de hiervoor geschetste problemen kan men voorkomen door de jongen vanaf de leeftijd van drie weken in de broedhokken bij te voeren. Het gaat er niet om dat er de hele dag een vol bakje voer voor ze klaarstaat, door het zien eten van de ouders pikken ze al snel een graantje mee. Bij het spenen hebben ze de kunst van zelfstandig eten vrijwel onder de knie.

In de Duitse standaard worden de 22 kleurslagen vermeld die daar momenteel (voorjaar 1999) zijn erkend. Als laatsten zijn er de kleurslagen blauw-ongeband, blauw-schimmel, Andalusiër, dominant-rood, roodzilver-geband en roodzilver-gekrast bijgekomen. In Amerika kent men naast de hierboven vermelde nog een aantal kleurslagen die op de tentoonstellingen aldaar als "any other color" kunnen worden ingezonden

Op aanwijzing van de speciaalclub kan de standaard-comm. nieuwe kleurslagen erkennen. Maar zowel de Nederlandse als de Duitse Kingclub zijn behoudend waar het betreft het stimuleren van nieuwe kleurslagen. Als eerste prioriteit zien zij het verbeteren van do erkende kleurslagen. Voor het succesvol creëren van een nieuwe kleurslag is het belangrijk dat men met een voldoende grote basis kan beginnen, voor één fokker is dat een vrijwel onmogelijke opgave. Vooral de Andalusiër-blauwe Kings die op de laatste clubshows in Duitsland waren ingezonden, waren werkelijk imponerend. Het betrof nafok vanuit Amerika geïmporteerde dieren. Wit is nog steeds de toetskleur bij de Kings, alle andere kleurslagen worden hieraan gemeten. Dat blijft waarschijnlijk nog wel een aantal jaren zo.

De witten

Zijn nog steeds het best doorgefokt, de grote meerderheid der geshowde dieren vertonen een zeer goed type en dito stand. Men hoede zich voor het overwaarderen van te laag gestelde dieren, beenlengte heeft niets met borstdiepte te maken. Vooral bij jonge. dieren is beenlengte en inplanting erg belangrijk. Dieren die te nauw staan en daarbij ook nog borstdiepte missen lijken altijd erg hoog gesteld. Wat wij willen zijn korte, forse Kings met diepe en lange borstbenen en een mooie doorlopende onderbelijning. Goed in balans staand, de benen, van de zijkant gezien, in het midden van het lichaam, recht zonder door te drukken. De dijbenen strak bevederd liefst tot aan do ring toe, de loopbenen geheel onbevederd en intensief rood. De standaard vraagt middellange benen, als de goede borstdiepte aanwezig is, zijn de benen zelden of nooit te lang. Als men een King vanaf de voorkant bekijkt moet hij breed gesteld zijn, de vrije ruimte tussen de benen enerzijds en bodem en buik anderzijds moet precies een vierkant vormen (volgens de Amerikaanse standaard 63 bij 63 mm). Bij het ouder worden en uitzwaren wordt de stelling vanzelf iets lager, als men bij jonge dieren van de Amerikaanse maataanduiding uitgaat zijn zo op latere leeftijd duidelijk te laag gesteld.

Kings moeten een stevig skelet hebben, o.a. aan de poten kan men dat vaststellen. Zeer zeker bij doffers mag de ring niet te los zitten. Waar we bij do witton ook attent op moeten zijn betr. de snavelfouten.. Op de forse kop van een King willen we een stevige niet te lange en brede snavel. Onder en bovensnavel moeten goed op elkaar passen. Vooral de te smalle bovensnavels geven nog al eens aanleiding tot bezorgdheid. Als de bovensnavel helemaal in de ondersnavel valt is zo'n dier onbruikbaar. Een dergelijke snavel is op de show een uitsluitingsfout en in de fok vererft het sterk. Dieren met maar iets brede ondersnavels worden een predikaat terug gezet. In Duitsland valt dat nog onder de wensen en kunnen dergelijke dieren nog met zg. worden bekroond. Te lange en smalle snavels zijn zo mogelijk een nog groter euvel want dat gaat vrijwel altijd gepaard met te smalle en te vlakke koppen. Tot slot, de snavelkleur, bij witte Kings zien wij graag een rood doorschijnende snavel, dieren met een dergelijke snavelkleur hebben vrijwel altijd fraaie rode oogranden. De neuswratten wensen we niet te groot, met een gladde en fijne structuur. De horizontale snaveldracht die in de standaard wordt gevraagd zie men zelden, altijd neigen ze wat naar beneden. Bij de beoordeling hoeft dit niet te worden bestraft. Indien de snavel zo diep afgebogen wordt gedragen dat de halsbevedering daardoor wordt verstoord moet dat bestraft worden.

De oogkleur.

De witten moeten donkere ogen hebben. In daglicht beschouwd blijkt het donkerblauw te zijn. Een. enkele keer ziet men witte Kings met een duidelijk veel lichtere oogkleur. Het is niet vast te stellen. of dit te wijten is aan het inkruisen van Bruinzilvers met hun parelkleurige ogen. Er zijn rassen waarbij de lethaalfactor gekoppeld lijkt te zijn aan een lichtblauwe oogkleur.

Oogranden.

Smal en intensief rood willen we ze op de witten hebben. Type, stand en kopbelijning komen natuurlijk voorop, maar jonge dieren met bleke of wat ook vaak voorkomt gele oogranden mogen, hoe goed hun overige kwaliteiten ook mogen zijn, geen hoger predikaat dan G. krijgen. Bij overjarige dieren kunnen we op dit punt iets toleranter zijn. Kuren met antibiotica heeft vaak een zeer negatieve invloed op de oograndkleur.

Halsdracht.

Vooral bij de witten zie je soms van die lange te smalle halzen, vaak zijn het dieren met een uitmuntende vaste stand. Wat we wensen staat in de standaard precies aangegeven, middellang, krachtig en verticaal gedragen.

Bevedering.

Ook ruwe halsbevedering doet veel afbreuk, ook losse bevedering achter de benen werkt zeer negatief op de onderbelijning. Het streven van de laatste jaren gaat toch naar een strakke bevedering, helaas lijken de dieren hierdoor kleiner. De praktijk bij do keuring. is toch vaak. zo dat de beoordeling op type en stand al op papier staan voor het dier in de hand wordt genomen. Dieren met een losse bevedering die een volume suggereren, dat er soms helemaal niet is, zijn dan in het voordeel.

Staart

Smal en niet lang is de wens, smalle dieren hebben vaak ook een te lange staart. Bij het in de hand nemen valt dat meteen op, inplaats van dat geblokte driehoekige type wat je eigenlijk met twee handen vast moet houden kun je die lange slanke dieren goed met één hand vasthouden. De staartveren van dergelijke dieren zijn niet alleen langer maar ook beduidend smaller.

Blauw-zwartgeband.

Na de witte kleurslag volgt in kwaliteit de blauw-zwartgebande. Zonder dat er een oorzaak voor is aan te geven moet men toch vaststellen dat de kwaliteit bij de blauwen de laatste jaren nogal is terug gelopen. In type zijn zo vaak iets kleiner dan de witten wel vallen zo op door hun kortheid. De tijd dat de blauwen minder goed afgeronde achterkop- pen toonden, schijnt nu wel definitief voorbij te zijn. Ook breedte en vulling van voorkoppen laten bij do toppers niets te wensen over. De gewenste intensief oranje-rode oogkleur is nog lang geen gemeengoed. Een matte oogkleur en z.g. valse parelogen moeten streng worden bestraft. De kleur van snavel en nagels wordt zwart verlangd.

Veerkleur.

Vooral bij de doffers wordt een lichte kleur duivenblauw gewenst, de banden wensen we diep zwart, strak getekend en goed gescheiden. Super smalle bandjes worden niet gewenst. Bij duivinnen moeten we een wat donkerder blauw accepteren. Een lichte rug is bij blauw geoorloofd .Bonte dijen of witte aarsvlekken worden tot de uitsluitingsfouten gerekend. Roest in de banden wordt eveneens streng bestraft Een aanzet tot een derde band, peper op de schilden of in de buurt van de banden worden met een predikaat aftrek bestraft. De halskleur moet veel groenglans vertonen. Slechte rugdekking bij blauw, vooral bij blauwen met witte ruggen, is erg storend. Een ander fenomeen wat vooral bij de b1auwen de kop op steekt is de zogenaamde veerwerveling in de hals. Aan beide zijden boven aan do hals zie je dan zo'n soort rozet waarbij de bevedering alle kanten opgroeit, ook dit moet rigoureus worden bestraft.

Oogranden

Bij de blauwen verlangen we donkergrijze smalle oogranden. Rode oogranden worden nog niet in predikaat terug gezet. Maar onze voorkeur gaat duidelijk uit naar bij de veerkleur aangepaste grijze oogranden.

Blauw-ongeband.

Wordt, met een germanisme, ook wel holblauw genoemd. Deze kleurslag is door het infokken van Strassers met deze tekening pas in de laatste jaren ontstaan en inmiddels erkend. Het infokken van een ander ras heeft altijd nevenwerkingen. Naast het gewenste veerpatroon, vertoonden de eerste nafok de ongewenst lage stelling, langere achterpartijen en witte buiken van de Strassers. Inmiddels zijn we enkele jaren verder en beginnen ze er wat meer op te lijken. Het echte Kingtype ontbreekt er nog aan. Ook de huidige dieren worden nog vaak ontsierd door wit aan de loopbenen en onzuivere schildkleur. Blauw ongeband staat op het onderste treetje van dominantie bij de veerpatronen. Het is zeer eenvoudig om ze fokzuiver te fokken. Het ontbreken van banden of een ander veerpatroon is niet geslachtsgebonden. Men kan er dus mee volstaan één keer een ongeband dier in te kruisen en de nafok hieruit onder elkaar te verparen. De nafok van ongeband x ongeband is fokzuiver voor de factor ongeband. Aan type en stand bij deze kleurslag kunnen nog geen al te hoge eisen worden gesteld. Kopbelijning , oogkleur en oogranden doen niet onder in vergelijk met de andere blauwe kleurslagen

Bruinzilver.

Bij kleurslag bruinzilver is de basis aanzienlijk minder groot. In Nederland komen ze momenteel vrijwel niet meer voor. Ook Duitsland telt maar enkele fokkers in deze attractieve kleurslag. De kwaliteit ligt daar echter zeer hoog, de toppers kunnen zich met iedere kleurslag meten. Van type zijn ze in het algemeen wat groter dan de blauwen. Het verbleken door de zon van deze kleurslag maakt het extra moeilijk om egaal gekleurde dieren in de kooien te brengen..

De praktijk is nu zo dat verschil in kleur veroorzaakt door uitbleken van de slagpennen niet wordt bestraft maar wolkige schilden wel. De schildkleur wordt lichtgrijs verlangd, iets neigen naar licht bruin is acceptabel. De lichaamskleur is iets donkerder dan de schildkleur. De halskleur verlangen we lichtgroen. Een goud- of okerkleurige halskleur is dus foutief. De chocolade kleurige banden die in de standaard worden vermeld vinden we maar zelden, de kleur van de banden ligt eerder tussen leikleurig en licht chocoladekleurig in. Net als bij do blauw-gebanden verlangen we ook bij de Zilvers zo lang mogelijke, smalle, strakke en over do gehele lengte goed gescheiden banden, zonder aanleg voor een derde band. Bij de bruinzilvers verlangen we wel een doorgekleurde rug, ook aan de rugafdekking worden hoge eisen gesteld.

Oogranden.

Bij deze kleurslag streven we naar lichtgrijze oogranden maar ook hier geldt dat rode oogranden niet worden bestraft.

Oogkleur.

Parelkleurig, aan deze oogkleur worden hoge eisen gesteld. Iets rode adering bij jonge dieren is toegestaan maar een duidelijke blauwe, gele of rode nuancering leidt tot een of meerdere predikaten aftrek. Een verkeerde oogkleur wat door het infokken van blauw wel voorkomt wordt op do shows bestraft met uitsluiting.

Zwarte Kings

Ziet men in Nederland steeds meer. In Duitsland komen ze in aantal na de witten en de blauwen. Ook in kwaliteit doen de toppers maar weinig voor de beste blauwen onder. Een tiental jaren terug waren vooral de duivinnen wat aan de kleine kant. Door het inkruisen van forse witte duivinnen, behoort dat nu vrijwel tot het verleden. Nu is het zaak het gewenste diepe lakzwart met behoud van het krachtige type genetisch vast te leggen. Het komt nog te vaak voor dat de beste typedieren een te matte veerkleur vertonen. Maar de echte toppers hebben het allemaal, als ook de oogkleur dan nog intensief rood is, is het misschien wel do mooiste en meest imposante kleurslag.

Veerkleur.

Zoals we hierboven al aanhaalden we streven naar een diepe lakzwarte kleur. We moeten ons echter bewust zijn dat we geen kleurduiven fokken, de lakrijkheid en kleurdiepte die sommige kleurduivenrassen eigen is kunnen we bij onze Kings niet eisen. Zwart is relatief eenvoudig te fokken. Zwarten hebben een z.g.S.(spread) uitbreidingsfactor. Genetisch kunnen het blauwzwartgebanden, gekrasten, blauwongebanden of donkeren zijn. Bij fokzuivere zwarten is die S. uitbreidingsfactor dubbel aanwezig. Zo'n fokzuivere zwarte brengt gepaard met een gebande of blauwgekraste alleen zwarte nafok. De jongen uit deze combinatie hebben die S. factor natuurlijk ook maar enkelvoudig. Onder elkaar gepaard kan men weer blauwzwartgebanden, blauwkrassen, fokzuivere en niet fokzuivere zwarte nafok verwachten. Diepte en glans kan door vele factoren (zoals o.a. Smoky, Sooty en Dirty) worden beïnvloed. Lang volgehouden selectie is hiervoor de enige remedie. Vooral bij jonge dieren zijn de loopbenen soms wat zwart aangelopen, hier worden geen aanmerkingen over gemaakt.

Showklaar maken.

Bij de meeste kleurslagen kan men volstaan met het schoonmaken van de poten en eventueel nog het bijwerken van een wat lange bovensnavel, bij het showklaar maken van de zwarten komt daar het zorgvuldig verwijderen, met een iets vochtige doek, van het overtollige veerpoeder bij. Ook een bad, enige dagen voor het inkooien, doet wonderen. De wat matzwarte dieren kunnen we, indien ze een fraai type hebben, voor de fok nog wel gebruiken voor de tentoonstelling zijn ze minder geschikt. Dieren waarbij de schilden een bandtekening vertonen en de dekveren grauw inplaats van intensief. zwart zijn, kan men ook voor de fok beter uitsluiten. Ook aan de niet goed doorgekleurde ondersnavels kan men bij sommige dieren een tekort aan pigment vaststellen.

Oogkleuren.

Bij de zwarte kleurslag verlangen we een vurig, intensief oranjerode iris. Helaas zijn de dieren met een matte of naar geel neigende iriskleur nog ver in de meerderheid. Voor dit euvel moet minimaal een predikaat in mindering worden gebracht.

Oogranden.

Donkergrijze tot zwarte oogranden passen het beste bij de zwarte Kings. Ook bij deze kleurslag wordt een iets rode oogrand nog toegestaan. Grove en witte oogranden doen veel afbreuk, het is dan net alsof ze een brilletje ophebben. Een fout die vooral bij de duivinnen voorkomt is de te breed gedragen staart. Ten onrechte gebruikt men voor het verbeteren van de zwarten nog al eens blauw-zwartgebanden, door het ontbreken van de z.g. S.(spreidings) factor is dat een slechte keus. Hoewel de eerste generatie uit deze paring al zwart kunnen zijn moet men meerdere keren terugparen aan fokzuivere zwarten om weer, voor de show geschikte dieren te fokken; via wit gaat dat wezenlijk sneller ook dunkleurige, mits ze de goede oogkleur hebben, zijn hiervoor bij uitstek bruikbaar.

Andalusiër-Blauw.

In het begin van de negentiger jaren importeerden enkele Duitse fokkers deze prachtige kleurslag uit Amerika. Theo v/d Bogaard was de man die ze als eerste naar Nederland haalde. De kleurslag Andalusiër-blauw berust op meerdere factoren. Een daarvan is de indigofactor, daarnaast moet één van de ouderdieren de S.(uitbreidingsfactor) bezitten. De beste fokcombinatie is zwart x fokzuiver indigo. Als bij de zwarte partner de noodzakelijke S.uitbreidingsfactor dubbel aanwezig is kan men uit deze combinatie 100% Andalusiërkleurige nafok verwachten. Een fokzuivere Indigokleurige is bij de Kings meestal vuilwit van kleur met verspreid aan kop en hals grijsbruine pigmentvlekken. Ze zijn niet mooi om te zien en ook niet erkend. Vreemd genoeg zien fokzuivere Indigokleurigen in andere rassen er heel anders uit. Bij de Showracers vertonen ze vaak het uiterlijk van roodzilvergebanden of gekrasten.

Wat is de ideale kleur en tekening ?

Kop, hals en voorborst zo donker mogelijk tot zwart, de rest van het lichaam donker. De vleugelschilden grijs waarbij ieder veertje zwart en scherp is omzoomd. De slagpennen moeten zo donker mogelijk uitlopen. Ongeacht andere kwaliteiten mogen dieren met roest in de schilden en/of ontbrekende zoming hoogstens met zg. worden beoordeeld. Het zal nog vele jaren van strenge selectie vergen om de ideale tekening vast te leggen.

Oogkleur en oogranden.

Aan de oogkleur bij deze kleurslag kan men hoge eisen stellen. Een intensieve oranjerode iris, omgeven door een grijs tot zwart oograndje is ideaal. Dieren met matte of anderskleurige ogen moeten worden terug gezet in predikaat.

Type, stand en kopbelijning.

In deze, wel haast mooiste kleurslag, zijn in ieder opzicht ideale Kings te vinden. Helaas zowel grootte als kwaliteit lopen sterk uiteen. Bij zeldzame kleurslagen is dat vaker het geval. Het vraagt veel discipline van de inzenders om fraai getekende dieren die in de raskenmerken tekort komen niet in te zenden. Toch moet het zwaartepunt bij de beoordeling op type, stand en kopbelijning zijn gericht

Dunkleur en Bruin.

Dunkleurigen zijn meestal toevaltreffers. Zover mij bekend worden. ze in Nederland niet bewust gefokt, ook in Duitsland bevatten zich maar enkele fokkers met deze kleurslag. Het is ook geen echt attractieve kleur. Er is ook weinig eenheid in deze kleurslag, ze variëren van grauwachtig tot grijsbruin. Op de schilden vertonen ze vaak nog een restant van een kraspatroon, dit is genetisch bedingt en mag niet worden bestraft. (de S.uitbreidingsfacor schijnt bij dunkleur een minder volkomen spreiding te veroorzaken als bij zwart en bruin)

Dunkleur is de verdunning van zwart en hebben net als de de zwarten de S.(spread) uitbreidingsfactor daar komt de geslachtsgebonden factor voor verdunning nog bij. Als men een recessief gele doffer met een zwarte duivin verpaart kan men in de F.1 al fokonzuivere zwarte doffers verwachten die de factor voor verdunning (in dit geval dunkleur) bezitten. Bij de nafok uit deze doffers, kan men bij de duivinnen, 50 % dunkleurige verwachten. Veel dunkleurigen verraden door hun oogkleur dat het geen dunkleurigen maar bruinen zijn. Indien men een zwarte doffer met een bruinzilver duivin verpaart, bezitten de jonge doffertjes uit deze combinatie de factor voor bruin. Uiterlijk zijn het echter zwarten. Terug gepaard aan een zwarte duivin kan men uit deze doffertjes 50 % bruine duivinnen verwachten.

In Duitsland is bruin inmiddels als kleurslag erkend, oppervlakkig gezien vertoont deze kleurslag veel overeenkomst met dunkleurig. De oogkleur bij de bruinen is, in overeenstemming met de bruinzilvers, parelkleurig. De veerkleur is over het hele lichaam grijsachtig bruin (vergelijkbaar met de bandkleur bij de bruinzilvers). Deze kleur is niet lichtecht, bij blootstellen aan zonlicht treedt er een verbleking op. In tegenstelling tot de dunkleurigen die naakt worden geboren zijn de bruinen normaal bedonst. Zowel dunkleurigen als bruinen zijn meestal toevalstreffers. Zover bekend zijn er geen fokkers die ze fokzuiver proberen te fokken. De bruinen zijn herkenbaar, omdat zo genetisch bedingt, een parelkleurige witte binnencirkel in de iris vertonen. Vaak worden ze op de t.t. verkeerd ingeschreven, keurmeesters die dergelijke dieren moeten beoordelen staan dan voor een dilemma

Recessief Rood.

Recessief rode Kings krijgt men in Nederland maar vrij zelden te zien. Ook in Duitsland is het een kleurslag voor de specialisten. Een werkelijk fraaie rode King is een uiterst attractieve verschijning.. Samen met de gelen en de anda- lusiërs zijn het waarschijnlijk de moeilijkst te fokken kleurslagen. Vruchtbaar zijn deze kleurslagen wel, door het herhaalde en recente infokken. van andere rassen (voor de kleur) zijn ze zeer vitaal, tien jongen per koppel en per jaar zijn bij deze kleurslagen geen uitzondering.

De laatste tien jaar ziet men rode Kings die ook op de grote Duitse clubshows de hoogste predikaten behalen. Dit zijn echter nog uitzonderingen het merendeel is nog lang, smal en te laag gesteld, ook spitse koppen komen in deze kleurslag nog vaak voor. Slechte oogkleuren, dunne, lange snavels en haarveren zijn maar enkele van de problemen die de fokkers van deze kleurslag moeten zien te meesteren. Maar zoals ik reeds stelde het zijn vrijwel alleen specialisten die met veel toewijding en volharding deze kleurslag op een hoger peil proberen te brengen. Veel aandacht wordt besteed aan het verbeteren van de veerstruktuur, het streven is een bredere, kortere en hardere veerstruktuur. Kortere bredere veren komen vooral het type ten goede met een wat hardere veerstruktuur wilt men de haarveren tegenwerken. Het rood dat we hier beschrijven is sierduivenrood, het is niet geslachtsgebonden en recessief ten opzichte van alle andere kleuren (sierduivengeel is sierduivenrood met de verdundfactor, en als zodanig natuurlijk recessief verervend ten opzichte van sierduiven rood. Roekkleuren zoals zwart, dun en bruin bezitten een z.g. S. spreidingsfactor en zijn daardoor bij uitstek geschikt om in te kruisen.

Welke eisen kunnen we aan de recessief rode Kings stellen ?

Bij de betere dieren moeten type, stand en kopbelijning de vergelijking met andere kleurslagen kunnen doorstaan. We wensen een egale, diepe en intensief rode kleur met veel glans die zich uitstrekt van snavelpunt tot staarteinde, daarbij niet blauw in de achterpartij en ook tussen de benen goed doorgekleurd. De kleur van de slagpennen beoordelen we bij gesloten vleugel. Bij jonge dieren vormen te weinig pigment en schilf in de binnenvanen van de nog niet geruide slagpennen, geen reden tot kritiek.

Bij dieren met het predikaat F. verlangen we een was- tot vleeskleurige snavel, vleeskleurige of licht rode oogranden en een oranjerood oog. Iets haarveren sluiten een hoog predikaat niet uit. Bij bet beoordelen dient men te bedenken dat deze kleurslag nog in opbouw is. Door opbouwend te keuren en oog te hebben voor de positieve punten worden de fokkers van deze moeilijke kleurslag gestimuleerd.

Recessief Geel.

Vrijwel alles wat we geschreven hebben over de te overwinnen problemen bij de recessief rode kleurslag, geldt onverminderd bij de fok van de gele Kings. De kleurslagen zijn ook zeer verwant aan elkaar. Vooral rood, mits pigmentrijk en diep van kleur, is bijzonder geschikt om te mat geel te verbeteren, ook dunkleur met oranje ogen en zwart kunnen worden gebruikt. Voorlopig is vooral het verbeteren van het type, met de daarbij passende kopbelijning het meest urgent. In zowel kwalitatief als kwantitatief opzicht moet de gele kleurslag het nog tegen de rode afleggen. Eigenlijk zou het zo moeten zijn dat succesvolle fokkers van wit of blauw enkele koppels geel of een andere opbouw behoeftige kleur erbij namen. Zo gauw de basis in een kleurslag groter wordt gaat ook de verbetering sneller. Met zo'n klein fokkersbestand is het een proces van hele kleine stapjes vooruit, als er een fokker afhaakt, of door leeftijd gedwongen mee ophoud, een grote stap achteruit. De eisen die aan gele Kings worden gesteld zijn wat betr. type, stand, kopbelijning en oogkleur dezelfde als aan de andere kleurslagen, maar ook een diepe warme en intensieve kleur geel, bij gesloten vleugel goed doorgekleurde slagpennen, geen haarveren, geen blauwe gloed op rug, stuit of staart en vlees- of waskleurige snavel en nagels. Bij de beoordeling vragen we om mildheid en begrip.

Dominant rood.

Naast de roodzilver-gebanden en de roodzilver-gekrasten zijn in Duitsland onlangs ook de z.g. dominant rode Kings erkend. Om ze te onderscheiden van de recessief roden (die al veel langer zijn erkend) worden ze dominant rood genoemd. In feite verschillen ze alleen in tekening (veerpatroon) van de roodzilvers en de roodzilver-gekrasten. Die beide laatsten zijn al langer erkend en zijn genetisch ook dominant-roden. Om de samenhang tussen de verschillende veerpatronen te verduidelijken kan men ze het beste vergelijken met de overeenkomstige tekening bij de blauwe kleurslag. Dus geband, gekrast en donker (o.a. bekend bij de postduivenrassen). De dominant-roden (donkerroden) zullen altijd nog iets tekening op de schilden vertonen. Dit is genetisch bedingt en mag dus niet worden bestraft. Staart- en slagpennen zijn bij gesloten vleugel veel lichter. De binnenvanen van de slagpennen verlangen we doorgekleurd. De drie dominant rode kleurslagen kunnen door elkaar worden gefokt. Toch levert de kruising roodzilver x roodzilvergekrast de meest showwaardige nafok op. Bij de verparing van roodzilver x donkerrood of roodzilvergekrast x donkerrood kunnen we zo'n soort dichtgelopen tekeningspatroon verwachten. Een enkele keer ziet men wel eens donkere (in feite miskleurige) Kings die zoveel kleurstofreserve bezitten dat ze ook in de buik volledig zijn doorgekleurd. Deze dieren zijn bij uitstek geschikt om in die donkerroden in te fokken. De helderheid, diepte en intensiteit van het rood kan enorm uiteen lopen. Ook van ras tot ras kan dit sterk verschillen. Allerlei factoren (zoals o.a. dirty en sooty) hebben daar invloed op. Het is algemeen bekend dat de roden naarmate ze fokzuiverder zijn voor hun kleur lichter worden. Vooral de roodzilvers vertonen dan die z.g. meelkoppen en de daarbij behorende lichte schildkleur. Ook de snavels zijn dan vlees- tot licht hoornkleurig. Als hals en banden nog diep rood zijn is het een van de allermooiste kleurslagen. Jammer genoeg zijn dit nog zeldzame uitzonderingen. Uit de kruising wit x blauwgeband komen vaak al in de eerste generatie roodzilvers of roodgekrasten. Blauwe achterpartijen, wolkige schilden en aanleg tot een derde band bederven de pret. Afhankelijk van het uitgangsmateriaal kan men geweldige typedieren verwachten. Het is een kwestie van tijd en selectie tot we ook aan deze drie kleurslagen de hoogste eisen kunnen stellen.

Blauwkrassen.

Zijn op de grotere shows in Dld. altijd goed vertegenwoordigd. Ze vallen vaak op door hun krachtige type, waarschijnlijk is dit een gevolg van de wijze van fokken. Blauwkrassen aan elkaar gepaard geven vaak te donkere nafok, om dit tegen te gaan paart men ze terug aan blauw-zwartgebanden. De eventuele blauw zwartgebande nafok vertonen vaak aanleg voor een 3e band en zijn daardoor minder geschikt voor blauwfok. Ook voor de fok van blauwkrassen zijn ze maar beperkt bruikbaar, net als de nafok van blauwkrassen aan elkaar worden ze al gauw te donker. Om blauwkrassen met een mooie open 60/40 krasverdeling te fokken kan men het beste uitgaan van blauwgekrast x blauw-zwartgeband. Het schijnt niet mogelijk to zijn de gewenste regelmatige krastekening genetisch vast te leggen Met uitzondering van Coburger- en Neurenburger Leeuwerikken is dat bij alle rassen problematisch. Vaak zijn het toevals-produkten in deze kleurslag, vreemd genoeg komen uit de combinatie wit keer blauwgeband naast dominant rood vaak blauwkrassen, door een witte aarsvlek of iets dergelijks verraden ze hun afkomst.

Aan welke eisen moet de tekening/kleur blauwkras voldoen ?

Ideaal is een 40/60 blauw/zwart pigmentverdeling. Het moeten echte blauwkrassen zijn, dat wil zeggen een blauwe grondkleur met een regelmatige krassing, die krastekening dient zich gelijkmatig over het gehele vleugelschilden uit te strekken en, net als bij de blauw-zwartgebanden, twee zo lang mogelijke banden.

Banden en krassing zo donker mogelijk, evenals de slagpennen. Ieder spoor van roest op de vleugelschilden dient streng worden bestraft. Ook roest in de binnenvanen van de slagpennen drukt het predikaat. Lichte ruggen bij deze kleurslag worden niet gewenst maar ook niet bestraft. Te donkere schildkleur zodat de krassing in een soort zoming ontaard leidt tot uitsluiting. Aan type, stand, kopbelijning en oogkleur kunnen de allerhoogste eisen worden gesteld.

Blauwgetijgerd en blauwbont.

Deze twee kleurslagen zijn zo nauw verwant dat het geen zin heeft ze afzonderlijk te beschrijven. Volgens de standaard moeten de getijgerden zo gelijkmatig mogelijk getekend zijn. Die tijgertekening moet zich ook uitstrekken over voorhals en buik. Slagpennen en staart worden doorgekleurd verlangd. Bij de bonten moet het wit overheersen, met zo gelijkmatig mogelijk verdeelde gekleurde partijen, slag- en staartpennen zo mogelijk om en om gekleurd. We moeten erop letten dat die kleuren scherp zijn afgegrensd. Schimmeltekening, een okerkleurige borst of hals zijn evenals roest en pepering ernstige fouten. Snavel en nagels worden zwart verlangd, voor het behoud van pigment- reserve is dat zeer belangrijk dieren met meerdere witte nagels moeten daarvoor worden gedrukt.

Aan vorm of lengte van de banden worden geen eisen gesteld, de vererving van de bonttekening is zo willekeurig dat het niet mogelijk is hier uniformiteit te eisen. De schimmelfactor bij getijgerd en blauwbont doet veel afbreuk aan een scherpe afgrenzing en is de oorzaak van de ongewenste twee- of meerkleurige veren, dieren met de schimmelfactor moet men voor de bontfok uitsluiten. Ook dieren met een okerkleurige borst of hals zijn voor show en fok onbruik- baar. Getijgerd en bont in blauw zijn in Dld. pas sinds 1972 erkend. Het is onvoorstelbaar wat er in die korte tijd is bereikt. Deze twee kleurslagen kunnen ook terug grijpen op het enorme genetisch reservoir van wit en blauw- zwart
geband. Bij getijgerden en bonten in blauw vindt men bij de toppers haast ideale dieren van type. De kleurverdeling laat vaak te wensen over. Bij de moeilijke fok van getijgerden en bonten moet men enige grondregels in acht nemen. Zet nooit twee licht bonten samen, het resultaat zijn vrijwel witte dieren. Het beste resultaat kan men verwachten van de combinatie; correct getekende getijgerde x blauw-zwartgeband. (de blauw-zwartgebanden bij voorkeur uit een geen bont bevattende bloedlijn). Het is steeds zaak om dieren met veel pigmentreserve te gebruiken, getijgerden die ook op driejarige leeftijd nog als getijgerden kunnen worden geshowd hebben zo'n reserve. Dieren met geheel witte ruggen hebben te weinig pigmentreserve om goed doorgezeurde staartpartijen te vererven. Er zijn vele voorbeelden van perfect getekende getijgerden die op latere leeftijd zeer goed getekende bonten werden.

De standaard verlangd bij getijgerden, nog steeds, volledig doorgekleurde staart- en slagpennen. De speciaalclubs bestraffen een wit slagpennetje, indien ze bij een gesloten vleugel niet opvallen, niet. Bij de beoordeling kan men de hoogste eisen stellen aan type, stand en kopbelijning. De oogkleur wordt oranjerood verlangd. Snavel en nagels zwart. Getijgerden moeten doorgekleurd zijn in slagpennen en staart en geen schimmel- of okerkleurige borst vertonen. Kleine wensen betreffende de kleurverdeling hebben geen invloed op het predikaat.

Blauwschimmel.

Blauwschimmel bij de Kings is een kleurslag die we in Nederland maar weinig zien. Blauwschimmels zijn, genetisch gezien, blauw-zwartgebanden met de factor voor G. (grizzle)schimmel. Indien dubbel aanwezig (fokzuiver) is schimmel een dominante factor die een depigmentatie van de veerkleur veroorzaakt. De schimmelfactor heeft vooral effect op plaatsen waar de pigmentkorrels zijn samengeklonterd, zoals de vleugelbanden. Alle jongen uit de combinatie blauwzwartgeband x fokzuivere schimmel, zijn schimmelkleurig. Omdat de factor voor schimmel niet geslachtsgebonden is maakt het niets uit of we hierbij van doffer of duivin uitgaan. Door schimmels aan schimmels te verparen worden ze steeds lichter van kleur. Na enkele generatie is het pigment vrijwel verdwenen. Voor de tentoonstelling kunnen we in feite alleen de F1. uit blauwzwartgeband x schimmel gebruiken.

Kleur en tekening.

Kop, hals en voorborst verlangen we goed gemêleerd; de schilden mogen variëren van licht to een wat donkerder grijs; de banden zo donker mogelijk; staart- en slagpennen eveneens donker. De meest voorkomende problemen bij deze kleurslag zijn : roest in de banden, gedeelde bont- en/of tijgertekening, witte koppen en vrijwel witte buiken. Naar gelang de mate waarin het zich manifesteerd moet het worden bestraft. Deze kleurslag is nog niet goed doorgefokt, bij veel dieren ontbreekt het nog aan breedte en grootte. Door het infokken van goede blauwen moet het mogelijk zijn de kwaliteit op korte termijn te verbeteren. Er is dus geen reden om ze bijzonder mild te beoordelen. Ook aan de oogkleuren (oranjerood) kunnen de hoogste eisen worden gesteld.

Getijgerd en bont in Zwart

Ook de zwartgetijgerden en bonten zijn pas sinds 1972 erkend. De standaard omschrijving is Voor alle kleurslangen, wat betr. de tijger- en bonttekening, gelijk. Bij de zwarten is het zeer belangrijk dat de gekleurde partijen, glanzend en diep van kleur zijn. Bij dof zwart is het haast onmogelijk om voldoende pigmentreserve op te bouwen. In de nafok wordt men dan geconfronteerd met allerlei onbruikbare miskleuren. Dieren met pigmentverlies in snavel en nagels zijn voor de fok niet bruikbaar. De goede zwartgetijgerden worden vrijwel altijd roekkleurig geboren, alleen in de buurt van de snavel en onder de vleugels zijn wat witte veertjes te herkennen. Na de eerste rui worden het dan correct getekende dieren. Bij het toenemen van de leeftijd worden ze vaak alsmaar witter zodat ze als drie of vierjarige als voorbeeld voor een fraaie bonttekening kunnen dienen. Vooral bij de vroege shows, waarvoor al in begin September moet worden ingeschreven, komt het voor dat als getijgerd ingeschreven jonge dieren alsnog een of meerdere witte pennen ingeruid hebben. Ook als bont voldoen dergelijke dieren maar zeer ten dele. Ook al komt, bij de beoordeling, kleur en tekening helemaal achteraan, verwaarlozen kunnen we het niet.

Zwartgetijgerden en bonten zijn in Dld enorm populair en op de grote clubshows ruim vertegenwoordigd. In type, stand en kopbelijning is de kwaliteit is met die van de witten vergelijkbaar. Het streven is naar een nog dieper zwart en vooral intensievere oogkleuren.

Getijgerd en bont in Rood en Geel.

Deze tak van bonten en getijgerden staat en valt met de kwaliteit van de grondkleuren waarvan men uitgaat. Jammer genoeg is het aantal toppers in rood en geel zo dun gezaaid dat ze vrijwel niet voor de bontfok worden ingezet. De getijgerden en bonten in rood en geel staan dan ook nog aan het prille begin van hun ontwikkeling. In Dld. zijn ze sinds 1978 erkend. Wat men nu ziet zijn vaak kruisingsdieren, tussen geel en rood enerzijds en wit anderzijds, waarbij nog alle eenheid ontbreekt. Blauw in buik, rug en staart, schimmel of schilf in slagpennen vormen even zo vele zorgenbronnen Groene of bruinnachtige oogkleuren en lange, smalle types maken dat beeld nog somberder. Toch probeert men niet, door het geven van hoge predikaten, een niveau te suggereren wat nog niet aanwezig is. Voor fokkers met volharding is hier nog een enorm stuk pionierswerk te verrichten.

Als er over kleurvererving bij duiven geschreven wordt worden er vaak schema’s, onbekende afkortingen of formules gebruikt. Ik zal proberen dit te vermijden en zo eenvoudig mogelijk de grondbeginselen van de kleurvererving trachten uit te leggen. Voor een goed begrip hiervan is het helaas noodzakelijk enkele, nogal taaie, pagina’s over vererving in het algemeen en alles wat er omheen hangt te schrijven. Het feitelijke gedeelte over de kleurvererving sluit, naar ik hoop, wat beter aan bij de interesse van de meeste duivenfokkers.

Namen en begrippen

Indien men het uiterlijk van een jonge duif vergelijkt met dat van zijn ouders, kan men vaststellen dat er overeenkomsten en verschillen zijn. Het uiterlijk van de jongen wordt bepaald door de erffactoren die zij van hun ouders hebben meegekregen èn van de omstandigheden waaronder ze zijn opgegroeid.

De gezamenlijke erffactoren (genen) van een organisme worden aangeduid met het woord genotype. Bij de erfelijk- heidsleer gaat men er meestal vanuit dat genotype en milieu samen het fenotype vormen. Als we het over kleurver- erving bij duiven hebben bedoelen we daar wat anders mee.

Achter het uiterlijk (het fenotype) van een dominant-rode doffer kan als tweede erffactor de kleur zwart schuilgaan. De wetenschap die zich met dit soort zaken bezig houdt noemt men genetica.

Gregor Mendel

In 1865 publiceerde de Augustijner monnik Gregor Mendel de resultaten van acht jaar onderzoek. Met de conclusies uit dit onderzoek, uitgevoerd op erwten

planten, bewees hij een aantal wetmatigheden.Voor ons als duivenfokkers is belangrijk dat hij het bewijs leverde dat overheersende (dominante) erffactoren de terugtredende (recessieve) erffactoren wel verdringen (zich beletten te manifesteren) maar dat deze recessieve erffactoren niet verloren gaan, maar in het fenotype voor het oog onzichtbaar toch in de erfmassa aanwezig blijven. Vooral dit niet verloren gaan van recessieve erffactoren is erg belangrijk. Als een der ouders zo’n recessieve erffactor bezit kan dit bij de nafok weer tot uiting komen. Bij het gedeelte over kleur- vererving ga ik daar wat verder op in.

Voortplanting

Het levend organisme (plant en dier) onderscheidt zich van de dode materie door de eigenschap dat het zich kan vermenigvuldigen. Deze vermenigvuldiging of voortplanting kan zowel ongeslachtelijk (veel plantensoorten) als geslachtelijk geschieden. Bij hogere diersoorten geschiedt de voortplanting uitsluitend geslachtelijk door middel van geslachtscellen of gameten. Een mannelijk dier vormt in zijn geslachtsorganen de mannelijke geslachts- of zaadcellen en het vrouwelijk dier vormt in haar geslachtsorganen de vrouwelijke geslachts- of eicellen. Bij de paring worden de zaadcellen in het vrouwelijk geslachtsapparaat gebracht. Een zaadcel en een eicel versmelten dan tot een nieuwe cel (de bevruchte eicel of Zygote.) Hiermede is de bevruchting tot stand gekomen. Bij vogels (duiven) vindt de ontwikkeling van Zygote tot compleet individu (door middel van celdelingen) voor het grootste gedeelte plaats in het ei.

Het dierlijk lichaam

Het dierlijk lichaam is opgebouwd uit miljoenen cellen. Zonder microscoop zijn deze lichaamscellen niet zichtbaar. Microscopisch onderzoek heeft aange-toond dat dierlijke lichaamscellen bestaan uit een visceuse vloeistof (Cytoplasma) omgeven door een membraan. In deze celvloeistof draaien een aantal grotere en kleinere lichaampjes. Het grootste en meest belangrijkste hiervan is de kern (ook deze kern is weer door een eigen membraan omgeven.) Na kleuring kan men in die kern met behulp van een microscoop een netwerk van gekleurde korreltjes waarnemen. Een duidelijke structuur is echter pas zichtbaar bij een delende kern. In de kern komen een aantal staafvormige lichaampjes voor. Met bepaalde kleurstoffen kan men die staafvormige lichaampjes zeer sterk kleuren. Dit zijn de kernstaafjes of chromosomen. Deze chromosomen zijn opgebouwd uit eiwitten en nucleïnezuren. Het belangrijkste, en ook het meest bekendste hiervan is het Desoxyribo-nucleinezuur afgekort tot DNA.

Het DNA wordt als de drager van de erfelijke eigenschappen beschouwd. De aanleg van de erfelijke eigenschappen ligt dan in de chromosomen. De chromosomen komen steeds in paren voor; de beide chromosomen van het zelfde paar zijn in vorm en afmeting gelijk en worden homologe chromosomen genoemd. Het aantal paren chromosomen is in iedere lichaamscel gelijk en dit aantal is voor een bepaalde diersoort constant. De duif bijvoorbeeld heeft 36 paar chromosomen. In de genetica gaat men er van uit dat niet de eigenschappen als zodanig worden overgeërfd doch de aanleg of grondslag voor deze eigenschappen. In ieder individu komen de erfelijke grondslagen van een eigenschap paarsgewijze voor, alleen in de geslachtscellen in enkelvoud. Het is bekend dat de erfelijke grondslagen van een eigenschap zich in de chromosomen bevinden. Een grondslag van een eigenschap heet Gen of Allel, de beide grondslagen van een paar vormen een genen- of een allellenpaar.

Gemiddeld worden er ongeveer even veel mannelijke als vrouwelijke nakomelingen geboren. Waardoor wordt nu het geslacht van een individu bepaald ? Hiervoor blijkt één bepaald paar chromosomen ( de geslachtschromosomen) verantwoordelijk te zijn. Bij duivinnen zijn de geslachtschromosomen wel homoloog doch niet precies gelijk in vorm. Het ene chromosoom noemt men het X chromosoom en zijn partner het Y chromosoom. Bij de doffers zijn de beide chromosomen van het paar wel precies gelijk; beide zijn namelijk X chromosomen. Duivinnen vormen dus twee eicellen, de ene helft heeft het X chromosoom en de andere bezit het Y chromosoom. Doffers vormen maar één type zaadcellen, allen hebben het X chromosoom. Als de X eicel bevrucht wordt door de X zaadcel dan wordt de nakomeling een doffertje. Als de Y eicel bevrucht wordt door de X zaadcel dan wordt de nakomeling natuurlijk een duivin.

Het geslacht van de nakomeling wordt dus bepaald door het type eicel dat zich met de zaadcel verenigd.

Kleurvererving

De Nijmeegse dierenarts Dr. C.J.A.C. Bol was in Nederland een der eersten die op wetenschappelijk niveau onderzoek verrichtte naar de vererving van veerpatronen. Reeds in 1926 publiceerde hij o.a. over de dominantie van de schimmelfactor ten opzichte van blauw geband.

Het is nu haast niet meer voor te stellen maar zelfs tot na de tweede wereldoorlog dacht het gros der duivenfokkers dat de vererving van veerkleuren en veerpatronen op toeval berustte. Om het nu volgende goed te begrijpen is het belangrijk om het verschil tussen de grondkleuren (rood, zwart of bruin enz.) en de veerpatronen zoals geband, gekrast, gezoomd enz. duidelijk voor ogen te houden. In de literatuur worden deze veerpatronen ook wel structuurkleuren genoemd om aan te geven dat de pigment in de veren volgens een bepaalde structuur of tekening zichtbaar is. Deze veerpatronen vererven niet geslachtsgebonden in tegenstelling tot de vererving van de grondkleuren die wel geslachtsgebonden vererven. De vererving van de veerpatronen is echter wel aan bepaalde wetten onderhevig. Meerdere erffactoren spelen een rol. Voor fokzuiverheid is vereist dat de erfinformatie dubbel aanwezig is. De wijze van vererving der diverse veerpatronen is echter voor alle grondkleuren gelijk. Uitgaande van de grondkleur zwart kunnen we het volgende rijtje van dominantie opstellen:

Bij de hierna volgende voorbeelden gaan we er gemakshalve van uit dat de doffers niet de geslachtsgebonden factor voor verdunning bezitten.

Blauw ongeband ook wel holblauw genoemd: onderling gepaard brengen die alleen maar blauw ongeband. Het veerpatroon ongeband is recessief ten opzichte van alle andere veerpatronen en zijn voor dit veerpatroon dus altijd fokzuiver.

Blauw geband, onderling gepaard (mits fokzuiver) kunnen daar alleen blauw gebanden uit vallen. Als beide partners fokonzuiver zijn en de factor voor ongeband voeren kunnen er ook ongebanden uit vallen. Let goed op ! Uit twee gebanden kunnen nooit of te nimmer gekrasten vallen. Indien dit wel het geval is kunt u er zeker van zijn dat er een vreemdparing heeft plaatsgevonden. Donkerkras ook wel zwartkras genoemd, onderling gepaard brengen (mits fokzuiver) alleen zwartkrassen, indien niet fokzuiver kunnen er ook blauwkrassen, blauwgebanden of blauwen zonder banden uit vallen.

Donker ook wel T.patroon genoemd, is maar bij enkele rassen erkend, onderling gepaard kan men (mits fokzuiver) alleen donkeren verwachten. Als ze niet fokzuiver zijn kan men er donkerkrassen, blauwkrassen, blauwen met banden en blauwen zonder banden uit fokken.

Zwart ook wel roekkleurig genoemd, vererft door de zogenaamde S.= (spreidingsfactor) iets anders dan de hierbovengenoemde veerpatronen. De roekkleur bij zwart is altijd gekoppeld aan de spreidingsfactor. Zelfs bij enkelvoudige aanwezigheid van de S.factor is hij al dominant over de andere veerpatronen. Deze dominantie is soms niet volkomen. Bij zwarten met maar één gen voor de S.factor is de kleur vaak wat grauw en kan men op de schilden nog vaag banden of krastekening waarnemen.

Indien de S.factor in tweevoud aanwezig is bedekt hij alle andere veerpatronen volkomen, deze veerpatronen zijn echter in de erfmassa nog wel degelijk aanwezig. Dit is eenvoudig vast te stellen door een zwarte te verparen met een blauwe zonder banden. In de F.1 kan men slecht gekleurde zwarten verwachten. Onderling gepaard brengen deze dieren in de F.2 gekrasten of gebanden. Omdat deze erffactor bij de ongebande blauwe ontbrak komt die aanleg voor gekrast of geband dus van de zwarte partner.

Als wij een blauw gebande duif verparen met een fokzuivere blauwkras, kunnen we omdat gekrast dominant is over geband alleen maar gekrasten verwachten. Jammer genoeg komen fokzuivere krassen vrijwel niet voor. Praktisch altijd bezitten ze de factor voor geband. Aan het uiterlijk (het fenotype) is dat niet vast te stellen, alleen door proefparingen kan men er achter komen.

Alles wat we hier geschreven hebben over de diverse veerpatronen bij een zwarte grondkleur gaat volledig op voor de grondkleuren bruin en het dominante-(postduivenrood) het zogenaamde sier-duivenrood vormt op dit alles een uitzondering bij de beschrijving van de vererving van de diverse kleuren kom ik daar nog uitgebreid op terug.

Vererving van de grondkleuren

Bij duiven hebben we in principe maar met drie grondkleuren te doen, alle andere kleuren zijn hiervan afgeleid.

Postduivenrood; postduivenrood is dominant (overheersend) over alle andere kleuren. Postduivenrood is te herkennen aan de lichtere kleur van staart en slagpennen in vergelijking met de schildkleur.

Zwart; zwart vererft recessief ten opzichte van postduivenrood maar is dominant over bruin en sierduivenrood.

Bruin; bruin vererft recessief ten opzichte van postduivenrood en zwart, maar (mits fokzuiver) dominant over sierduivenrood.

Sierduivenrood; sierduivenrood is herkenbaar doordat staart en slagpennen dezelfde kleur hebben als de rest van het lichaam.

Sierduivenrood vererft in tegenstelling tot de andere grondkleuren niet geslachtsgebonden en is recessief ten opzichte van alle andere kleuren.

Als ik het hierna heb over de geslachtsgebonden vererving van de grondkleuren is dat dus uitdrukkelijk met uitzondering van sierduivenrood. De erffactor (het gen) voor sierduivenrood is niet gebonden aan het geslachtschromosoom en vererft op een andere wijze.

Zoals ik al eerder stelde, chromosomen zijn altijd paarsgewijze aanwezig. De geslachtschromosomen van de doffer noemen we de XX chromosomen en de geslachtschromosomen van de duivin worden XY chromosomen genoemd.

De erffactor voor de kleur is gekoppeld aan het X geslachtschromosoom. We weten dat in de zaadcellen van de doffer altijd een X chromosoom aanwezig is. Bij de eicellen van de duivin is de kans op een X chromosoom maar 50%. De Y eicellen van de duivin bevatten geen erffactoren voor de veerkleur. De veerkleur van de nakomelingen uit deze Y eicellen wordt dus alleen door de doffer bepaald.

De doffer bezit twee erffactoren voor kleur, hij draagt als het ware twee jassen over elkaar. Een zichtbare en de andere die hij er onder draagt. Als beide jassen dezelfde kleur hebben is hij fokzuiver. Als de jas die hij er onder draagt een andere kleur heeft is hij fokonzuiver. Die onderste jas is altijd recessief van kleur ten opzichte van de zichtbare (dominant gekleurde) jas.

Onder de jas van een niet fokzuivere postduifrode doffer kan wel een tot de zwart- of bruingroep behorende kleur schuilgaan maar nooit andersom. De duivin kan maar één erffactor voor kleur aan haar nakomelingen meegeven, een duivin is dus altijd fokzuiver waar het een geslachtsgebonden kleur betreft.

Bij een paring geeft de doffer altijd een jas (erffactor) voor kleur af, dit kan de zichtbare zijn of de onzichtbare (de jas die hij er onder draagt.) De duivin geeft maar aan de helft van haar nakomelingen haar erffactor af. De jongen die zo’n erffactor ontvangen hebben er dus twee en zijn dus doffers. De andere jongen krijgen alleen een erffactor van de doffer en zijn dus duivinnen.

Een fokonzuivere postduifrode doffer x een postduifrode duivin.. Alle doffertjes uit deze paring kunnen alleen maar postduifrood zijn. Zij hebben allen van de duivin de factor voor rood gekregen en deze factor is dominant over de eventueel van de doffer ontvangen factor voor de zwarte kleur. Bij de jonge duivinnen uit deze paring is dat natuurlijk niet het geval, zij hebben alleen een erffactor voor kleur van de doffer, dat kan rood zijn maar ze kunnen ook de andere factor (de niet zichtbare jas die hij er onder draagt) ontvangen hebben en dan behoren ze tot de zwartgroep.

 

Verdunningen

Van alle grondkleuren zijn er ook verdunningen. Bij sommige kleurslagen is bij oudere dieren niet zonder meer vast te stellen tot welke groep ze behoren. Roekbruin en dun worden nogal eens verwisseld ook dominant en recessief wit vertonen weinig verschil. Bij de nestjongen is het verschil wel heel duidelijk. Verdundkleurige jongen zijn altijd kort bedonst. Niet alleen de kleur maar ook ieder veerpatroon heeft zijn verdunde tegenhanger. Op mijn computerlijst staan maar liefst 746 verschillende kleurslagen vermeld. U zult het mij niet kwalijk nemen als ik in dit verband alleen de grondkleuren en enkele bekende veerpatronen en hun verdunningen vermeld.

 

Kleur                           verdunning                            

zwart                                    dun

blauw gekrast                      leverkras

blauw zwartgeband              blauwzilver donkergeband

blauw ongeband                   blauwzilver ongeband

bruin                                     khaki

dominatrood                        dominatgeel

roodzilver geband               geelzilver geband

rood                                     geel

Intensieve kleuren vererven altijd dominant ten opzichte van verdunde kleuren. Omdat de factor voor verdund geslachtsgebonden is en dus gekoppeld is aan het X chromosoom kunnen alleen doffers onder hun intensief gekleurd fenotype onzichtbaar de erffactor voor verdund voeren. Een duivin met de factor voor verdund is ook verdundkleurig in haar uiterlijk. Het is echter zeer wel mogelijk dat een niet fokzuivere postduifrode doffer zowel de erffactor voor de kleur zwart en de erffactor voor verdund voert. Uit een paartje roodzilver duiven kunnen dus blauwzilvers vallen. Lezers die het voorafgaande goed begrepen hebben weten dat dit alleen duivinnen kunnen zijn. Achter een verdundkleurig uiterlijk kan nooit de factor voor intensief schuilgaan. Een verdundkleurige doffer is dus altijd fokzuiver voor de erffactor verdunning maar hoeft dat voor kleur niet te zijn. Een niet fokzuivere geelzilver doffer kan als tweede jas dus wel een blauwzilver gekleurde dragen maar geen intensief gekleurde.

Een fokzuivere geelzilver doffer x een roodzilver duivin. Door de factor voor intensief die zij van hun moeder ontvingen zijn alle doffertjes roodzilver. De duivinnen uit deze combinatie die alleen de erffactor voor verdund van de doffer hebben gekregen zijn allemaal geelzilver. Gemakshalve ben ik er in dit voorbeeld van uit gegaan dat beide ouders ook fokzuiver zijn voor het veerpatroon geband. Indien beide ouders de recessieve factor voor ongeband voeren dan kan men verwachten dat 50% van de jongen ongeband zullen zijn.

Sierduivenrood

De vererving van sierduivenrood is totaal verschillend van de andere kleuren. Sierduivenrood is altijd roekkleurig en herkenbaar aan de doorgekleurde staart en slagpennen. De erffactor voor sierduivenrood is niet geslachtsgebonden en is recessief (terugtredend) ten opzichte van alle andere kleuren. In het genotype van beide geslachten kan de aanleg voor sierduivenrood aanwezig zijn. Deze erffactor kan zich achter iedere maar denkbare kleur verschuilen. Pas als een jong van beide ouders die factor meekrijgt kan die prachtige kleur zich manifesteren. Helaas zijn er veel factoren die het aanzien van sierduivenrood negatief kunnen beinvloeden. Vooral de aanwezigheid van postduivenrood in de erfmassa schijnt aan de kleurdiepte afbreuk te doen. Om in te kruisen is diep zwart het meest geschikt. In de F.1 (de eerste generatie) zijn alle jongen in beide geslachten zwart maar bezitten eveneens allemaal de factor voor sierduivenrood. Bij terugparing aan sierduivenrood kan men op 50% sierduifrode nakomelingen rekenen. Als men die F1 jongen onderling paart is er theoretisch kans op 25% rode nafok.

De zwarte kleurslag kan zich alleen manifesteren met behulp van de zogenaamde S. (Spread) uitbreidings factor. Zelfs bij enkelvoudige aanwezigheid kan deze factor alle tot de zwartgroep behorende veerpatronen bedekken. Bij sierduivenrood kennen we ook zo iets maar die zogenaamde E.factor moet altijd dubbel aanwezig zijn. Deze E.factor heeft nog een veel sterkere werking, onder invloed hiervan worden alle kleuren en veerpatronen volledig door het sierduivenrood bedekt.

Onderlinge beïnvloeding van kleuren

Met behulp van een electronenmicroscoop kunnen chromosomen zichtbaar gemaakt worden. In een schematische afbeelding worden chromosomen vaak afgebeeld als een soort kralensnoer die om een denkbeeldige verticale as zijn gewikkeld. De plaats van een chromosoom op dat denkbeeldige kralensnoer is niet willekeurig. Hoe dichter bepaalde chromosomen/erffactoren bij elkaar liggen hoe groter de kans op onderlinge beïnvloeding schijnt te zijn. De weten- schap die zich hiermee bezig houdt maakt enorme vorderingen, toch ben ik bang dat wij de praktische toepassing hiervan in de duivenfok niet meer mee zullen maken.

Bij een aantal kleurslagen kun je met haast 100% zekerheid voorspellen welke kleur de nakomelingen zullen krijgen. Vooral bij kruisingen van twee rassen is dat vrijwel onmogelijk en kom je voor de vreemdste verassingen te staan. Ook achter wit (wit is geen kleur maar een factor die belet dat de genetische kleur zichtbaar wordt) kan letterlijk alles verborgen zijn. De meeste sierduivenfokkers houden precies bij wat zij jaarlijks fokken. Op ieder hok worden er jaarlijks wel jongen geboren in een kleur of veerpatroon dat totaal afwijkt van de ouderdieren. Ik zou het zeer op prijs stellen als de leden van de Kingclub mij een korte omschrijving van zo iets op zouden sturen. Daar kunnen we allemaal veel van leren.

Om schimmelkleurige duiven te fokken moet tenminste één van de ouderdieren schimmelkleurig zijn (de factor voor schimmel moet dus zichtbaar aanwezig zijn)

De vererving van de indigofactor (die o.a. bij de Show-Racer, Giant-Homer en de King voorkomt) is grotendeels hetzelfde als die van de schimmelfactor. Aan de hand van enkele voorbeelden zal ik proberen de vererving van de schimmel- en de indigofactor te verduidelijken.

Bij diverse rassen, zoals de Dragoon, Genuine Homer en de Duitse schoonheidspostduif kennen we de zg. blauw- schimmels. Dit is geen toeval want de factor voor schimmel komt specifiek bij de postduivenrassen en dan met name bij de blauw-zwartgebande kleurslag optimaal tot uiting. Bij deze kleurslag bewerkt de schimmelfactor een soort gedeeltelijke opheldering/verdwijning van het pigment die, met uitzondering van de banden, de gehele bevedering betreft

Als ik het uiterlijk van een blauwschimmel aan een niet-duivenfokker zou moeten omschrijven zou ik het willen vergelijken met een beijzelde auto die door de eerste nachtvorst wit uigeslagen is.

De schimmelfactor vererft dominant en is niet geslachtsgebonden.

Wat houdt dat in ?

1.- Dat dominant zijn betekent in dit geval ook dat die factor zichtbaar aanwezig is. Alleen recessieve factoren kunnen verborgen aanwezig zijn.

2.- Indien één der ouderdieren fokzuiver is voor de factor schimmel hebben alle jongen hieruit eveneens de factor voor schimmel (zijn niet fokzuivere schimmels) en tonen dat in hun uiterlijk

3.- Omdat de factor voor schimmel niet geslachtsgebonden vererft kan zowel de doffer als de duivin die factor dubbel bezitten (en daar dus fokzuiver voor zijn).

4.- Aan het uiterlijk is meestal vast te stellen of die factor voor schimmel dubbel aanwezig is. Bij fokzuivere blauwschimmels is het pigment gewoonlijk naar de uiteinden van de duif teruggedrongen. Snavel, nagels en vleugeleinden zijn dan nog gekleurd en de rest van de bevedering is grijsachtig wit met hier en daar een pigment vlekje. Alleen proefparingen kunnen volkomen zekerheid brengen.(als er dus jongen uit vallen die niet schimmelkleurig zijn, kunt u er van uitgaan dat het betreffende ouderdier niet fokzuiver is voor de schimmelfactor.

5.- Op practisch alle gebande kleurslagen kan men die schimmelfactor overbrengen. Bij veel rassen kent men rood- en geelzilverschimmels. In het afgelopen showseizoen heb ik nog enkele roodzilverschimmel Dragoons gezien.Ook vrijwel alle witte duiven met gekleurde- of parelogen zijn genetisch fokzuivere schimmels die pas na een volledige rui geheel wit zijn.

Showwaardige blauwschimmels fokken.

Zoals u al heeft kunnen lezen zijn fokzuivere schimmels voor de t.t. te licht van kleur. Voor de show heeft men duiven nodig die, afgezien van andere kwaliteiten, de schimmelfactor maar enkelvoudig bezitten. Het meeste rendement kan men verwachten van de paring, fokzuivere blauwschimmel x blauw-zwartgeband. Alle jongen uit deze paring zijn (fokonzuiver) blauwschimmelkleurig. Uit de paring niet fokzuivere blauwschimmel x niet fokzuivere blauwschimmel kan men theoretisch maar 50 % showwaardige blauwschimmels verwachten en daarnaast 25 % blauw-zwartge ban- den en 25 % fokzuivere blauwschimmels (die dus voor showdoeleinden ongeschikt zijn). Pas bij voldoende nafok heeft men enig houvast aan die theoretische verwachting van het 2e koppel. Het is heel goed mogelijk dat er in een bepaald fokjaar geen enkel jong geboren wordt met de door de fokker gewenste genetische samenstelling. Uit de paring fokonzuivere blauwschimmel x blauw zwartgebande kan men 50 % fokonzuivere schimmelkleurige en 50 % blauw zwartgebande nakomelingen verwachten.

De indigofactor vererft eveneens dominant en is niet geslachtsgebonden.

Al is de wijze van vererving van de indigofactor vergelijkbaar met die van de schimmelfactor het effect van de indigo- factor op blauw-zwartgeband is geheel afwijkend.

Bij blauw- zwartgebanden met de enkelvoudige indigofactor is de kleur van de banden mahonie-achtig bruin. Slag- en staartpennen zijn verbleekt tot een soort helder grijs waarbij de staartband ontbreekt. Bij blauwkrassen is de veran- dering identiek, de krastekening toont die typische bruinrode kleur, staartband ontbreekt , slag- en staartpennen zijn grijsachtig verbleekt. Fokzuivere indigo’s (waarbij de factor voor indigo dubbel aanwezig is) zien er heel anders uit. Die kunnen variëren van een kleur die vrijwel niet van roodzilver-geband is te onderscheiden tot een soort vuilwit waarbij alleen kop en hals nog wat pigment bevatten. Een en ander is afhankelijk van de oorspronkelijke grondkleur.

Andalusiërkleurige duiven zijn zwarten met de enkelvoudige indigofactor.

Welhaast de allermooiste kleurslag bij duiven is de zg. Andalusiër. Zwarten met de enkelvoudige indigofactor hebben grijsachtig blauwe vleugelschilden waarbij ieder veertje donker omzoomd behoort te zijn. Kop en hals worden vrijwel zwart verlangd maar slagpennen en staart bleken op tot een grijsachtig blauw.

Bij fokzuivere Indigo’s met een zwarte grondkleur blijft de kop en het bovenste deel van de hals donkergrijs de rest van het gevederte bleekt op tot een vuilwitte kleur met grijsbruine pigmentvlekken. Om showwaardige Andalusiërs te fokken zijn dit ideale uitgangsdieren, gepaard aan een zwarte brengen ze 100 % andalusiërkleurige nafok. Al die nakomelingen bezitten die gewenste enkelvoudige indigofactor. De mate van verbleking en de kwaliteit van de zoming kunnen toch sterk uiteen lopen. Als men die nakomelingen onderling zou paren, dus zwart met enkelvoudige indigofactor x zwart met enkelvoudige indigofactor kan men theoretisch 50 % showwaardige andalusiëerkleurige verwachten, 25 % voor de show onbruikbare fokzuivere Indigo’s en 25 % zwart gekleurde dieren. Een fokonzuivere Andalusiëer (zwart met enkelvoudige indigofactor) x zwart brengt eveneens 50 % andalusiërkleurige en 50 % zwart gekleurde nafok.

De indigofactor is niet geslachtsgebonden.

Na het bovenstaande zal het duidelijk zijn dat er geen verschil is of men van doffers of duivinnen uitgaat.

Indien een zwarte duif de indigofactor bezit is dat aan de veerkleur zichtbaar. Verhaaltjes van "deze zwarte vererft de indigofactor" berusten op onwetendheid of fantasie. Ook uit blauwgekrast of blauw-zwartgeband met de indigofactor kan men bij paring aan zwart Andalusiërs verwachten maar ook hierbij speelt de zg. S spreidingsfactor een rol.

Tot slot, ik hoop met dit artikel enige interesse voor het onderwerp ‘Kleurvererving’ gewekt te hebben. Om het artikel niet onnodig lang te maken heb ik alles heel summier gehouden. Tal van factoren die kleur en veerpatroon bepalen zijn daardoor niet aan bod gekomen. Voor wie er werkelijk meer van wil weten kan ik een drietal boeken aanbevelen.

Handbuch der Tauben, door Axel Sell

The Pigeon, Wendell Mitchell Levi

 Genetica bij duiven, Hein van Grauw

Het uiterlijk en daarmede de showwaarde van onze Kings is sterk afhankelijk van de kwaliteit en het smetteloos schoon zijn van het verenpak. Kings met bevuilde staarten en ontbrekende of afgebroken pennen. zijn op de shows bij voorbaat kansloos. Wij als fokkers kunnen er veel aan doen om dat te voorkomen.

Het voornaamste is een doelmatige inrichting van onze hokken, waarbij de zitschappen zo zijn aangebracht dat de dieren elkaar niet bevuilen kunnen. Een flinke laag vloerdek of beukenhoutsnippers op de vloer (waardoor de mest meteen ingekapseld wordt) voorkomt dat sleepstaartende doffers zich bevuilen.

In het wekelijkse bad doen we per emmer water een flinke soeplepel badzout, echt afdoende tegen medebewoners is het niet, maar vooral witte of lichtgekleurde duiven blijven er schoner door. Afgebroken staartveren, slag,- of broek- pennen kunnen we, met uitzondering van de twee buitenste slagpennen, probleemloos trekken. Na drie weken zijn ze weer royaal zichtbaar en na zes weken weer vrijwel volgroeid.

Indien een der buitenste slagpennen gebroken is kunnen we er beter maar afblijven, de kans op beschadiging van de papil of follikel is erg groot, een te korte of misvormde pen is dan het resultaat. Ook niet volgroeide pennen, waarvan de zogenaamde spoel nog in het bloed staat (goed zichtbaar aan de onderkant) kunnen we nog niet trekken. Vooral bij Kings komt het voor dat de buitenste slagpennen (soms ook wel de buitenste staartveren) ontaarden in z.g. bloedpennen. De schacht van deze bloedpennen vertoont dan een spleet waaruit (gedurende de groei van die pen) wat bloed lekt. Dit gestolde bloed vormt een donkere langwerpige prop aan de onderzijde van de schacht. Bij dit soort pennen is de bloedtoevoer door de lekkage onvoldoende waardoor misvormingen optreden. Met een behoedzaam aangebracht druppeltje lijm als de nieuwe veer plus minus 5 cm. lang is, slaagt men er soms in deze pennen normaal uit te laten groeien.

Ondanks al onze voorzorgen slagen we er soms niet in om onze duiven geheel schoon te houden. Als het een duif betreft die we willen showen ontkomen we er niet aan om het dier te wassen. Vaak zijn alleen maar enkele staartveren bevuild. Met een droog nagelborsteltje probeert men het vuil te verwijderen. Het resultaat is zelden bevredigend. Als het droog niet lukt kan men met een lauw sopje de bevuilde veren schoonmaken waarbij men moet vermijden andere veren nat te maken. Vooral oude mestvlekken zijn erg hardnekkig pas als de veren geheel droog zijn kan men het resultaat beoordelen.

ls het echt niet anders kan moeten we de hele duif wassen. Vrijwel alle bekende zeeppoeders zijn ongeschikt voor het wassen van duiven omdat de witte veren er geel door verkleuren. Een lauw en schraal sopje van "Zwitsal" babyzeep of "Sunlicht" (die ouderwetse staven zeep die je af moet schaven) voldoet nog het beste. Men gaat als volgt te werk: Twee afwasbakken naast elkaar, de een gevuld met warm schoon water en de andere met het vooraf klaargemaakte sopje. De schoon te maken duif wordt in het warme water ondergedompeld (de kop natuurlijk niet) zo lang tot alle veren zich volgezogen hebben en de slagpennen buigzaam zijn. Daarna plaatst men de natte duif in de tweede bak, waarin zich het sopje bevindt, door met een zachte spons, met de veergroei mee te strijken, wassen we het dier. Als de duif schoon is gaat hij weer naar de andere bak en onder de lopende kraan worden alle zeepresten er zorgvuldig afgespoeld. Met een zachte handdoek dept men de duif zo droog mogelijk. Nu heeft men de keuze tussen verder droog föhnen of op laten drogen. Dat droog fohnen is een heidens karwei, beter kan men het dier in een ruime mand of kist, in de buurt van de verwarming, op laten drogen. Pas als het geheel droog is op het hok plaatsen. Nu duurt het nog enkele dagen tot alle veren weer op hun plaats zitten. Door het wassen is de poederlaag geheel verwijderd, als het dier beslist kurkdroog is kan men wat ongeparfumeerde talkpoeder tussen de veren strooien. Gewassen dieren zijn erg bevattelijk voor vuil worden, oppassen dus.

Behoudens enkele broekpennen worden alle veren een keer per jaar vernieuwd. De z.g. donsrui gaat het gehele jaar door, maar de echte grote rui begint met het stoten van de eerste slagpen. Bij gepaarde oude duiven valt de eerste slagpen bij het bebroeden van het tweede legsel. Niet gepaarde duiven ruien hun eerste slagpen meestel niet voor medio Mei. Jonge duiven ruien hun eerste slagpen meestal op een leeftijd van ongeveer acht weken. Het vreemde is dat het ritme van pennen stoten bij later in het seizoen geboren jongen veel vlugger gaat, zodat bijvoorbeeld in Maart geboren jongen eerder hun laatste pen stoten dan hun in Januari geboren broertjes en zusjes.

Ook Kings hebben net als de meeste andere duivenrassen 10 slagpennen, 10 broekpennen en 12 staartveren. Pauwstaarten en Rollers vormen voor wat betreft het aantal staartveren een uitzondering, pauwstaarten kunnen b.v. wel tot veertig staartveren hebben. Het ruipatroon is echter bij alle duivenrassen het zelfde. De rui begint altijd met de kortste slagpen als die driekwart volgroeid is valt de volgende slagpen. Nadat de 5 e slagpen zo vernieuwd is wordt de eerste staartveer geruid. De staartrui begint met de staartveren links en rechts naast de middenveren en als laatste worden de op één na buitenste staartveren vernieuwd.

De z.g. arm,- of broekpennen ruien minder volgens een vast patroon, ongeveer gelijktijdig met de eerste staartveer wordt ook de eerste broekpen gestoten. Dit is meestal de broekpen, die bij geopende vleugel, het dichtste bij het lichaam staat, achtereenvolgens de tweede en de derde van het lichaam af gerekend. Als vierde wordt dan vaak de broekpen, die in het midden van de vleugel naast de eerste slagpen staat gestoten. In het tweede jaar ruien sommigen duiven weer de zelfde broekpennen en beginnen pas daarna aan de volgenden. Terwijl andere duiven de in het geboortejaar vernieuwde broekpennen in hun tweede levensjaar niet ruien.

De rui van de vleugeldekveren begint ongeveer met het vallen van de eerste staartveer, de schouders zijn het eerst aan de beurt en de dekveren van de achtervleugel worden het laatst vernieuwd. Als de laatste oude slagpen gestoten is behoort ook de hals en koprui voltooid te zijn. Augustus en September zijn voor de duiven de echte ruimaanden, dan moeten de veren er als het ware afstuiven. Een vlotte en probleemloze rui is van een paar factoren afhankelijk. Bij jonge duiven speelt de leeftijd een grote rol, de z.g. winterjongen (tot eind Februari) ruien veel trager dan de zomerjongen. Bij jongen die na 1 Juli geboren zijn blijven meestal de buitenste slagpennen en staartveren staan. Als we oude duiven goed uit willen laten ruien moeten we uiterlijk half Augustus de nestschotels wegnemen. Broedende duiven ruien zeer traag. Het lang laten zitten op stenen eitjes, zoals wel wordt toegepast heeft het tegengestelde effect. Als we, om welke reden ook, toch te lang met onze duiven doorgefokt hebben (bijvoorbeeld later dan begin September) moeten we onze toevlucht nemen tot een paardemiddel om de rui vlot op gang te krijgen. Als we zitruimte genoeg hebben verwijderen of sluiten we alle broedhokken. Voer krijgen ze die dag niet meer. Om te purgeren doen we op twee liter drinkwater een afgestreken soeplepel z.g. Engels zout of eventueel gewoon keukenzout. De volgende dag geven we ze pas 's avonds vers drinkwater (nu zonder toevoegingen) en als voer een krappe portie z.g. zuiveringsmengeling. Ook de derde dag krijgen ze alleen zuiveringsmengeling. Als het goed gaat stuiven de oude donsveren al rond, door het purgeren stuift er nog meer rond dan alleen donsveertjes, maar met twee dagen is de mest vaster en beter gebonden dan ooit. Na die derde dag krijgen ze weer royaler voer. Het is nu zaak een mengeling te geven met voldoende eiwitten, alles wat de geslachtsdrift aanwakkert is nu taboe, dus haver of hennep. ook het percentage tarwe moet de 12 % niet te boven gaan. De mengeling moet nu ook een klein percentage lijnzaad bevatten. Duiven die in de ruitijd lijnzaad gehad hebben vallen op door hun zachte en glanzende verenpak. Lijn-, kool- en andere zeer kleine zaden moeten de duiven leren eten, als ze het eenmaal kennen vreten ze het goed. Vitamines (niet die uit het potje) maar in de vorm van gekiemde tarwe, en kleine linzen completeren het menu. Het normale ruipatroon van slagpennen en staart is hierboven aangegeven. Slagpen of staartveer met het nummer 1 wordt als eerste vernieuwd; vervolgens nummer twee, dan drie enz. In de tekst hebt u kunnen lezen dat het ruipatroon van de broek,- of hulpslagpennen afwijkend is.

Strikt genomen behoort water niet tot de voedingsmiddelen voor een goed functioneren van de spijsvertering is het echter zo belangrijk dat wij dit hoofdstuk beginnen met het drinkwater. Fris drinkwater in schone drinkbakken is voor onze duiven een eerste levensbehoefte. Behalve fris en vers moeten we ook op de temperatuur van het drinkwater letten. In de zomer, na een halve dag staan in de zon, is de temperatuur vaak opgelopen tot meer dan 40 graden, verversen door ijskoud leidingwater veroorzaakt alleen dunne ontlasting. Zomer en winter is ongeveer 15 graden een prima drinkwatertemperatuur. Als we besmetting via het drinkwater voorkomen willen zijn we genoodzaakt op zeer warme dagen meer dan eens het water te verversen. Bij hoge temperaturen vermenigvuldigen de altijd aanwezige bacteriën zich in een verbazingwekkend tempo. Wie ooit een uitstrijkje onder de microscoop, van de slijmerige aanslag die zich aan de binnenzijde van de drinkbak verzameld, heeft bekeken beseft het belang van een nauwgezette reiniging. Vooral de tegenwoordig in gebruik zijnde plastic drinkbakken schijnen die slijmlaag vast te houden, aardewerk drinkbakken houden het water veel langer vers. Schoonmaken met goed heet water waarin een flinke scheut bleekwater, liefst om de twee dagen is veel effectiever dan het verstrekken van allerlei ontsmettingsmiddelen via het drinkwater'.

Voedingsmiddelen

Voor onze duiven kenen we een viertal groepen voedermiddelen: granen, peulvruchten, zaden en korrelvoer (de z.g. pellets).

Onze duiven zijn vooral graaneters. Graan, met als belangrijkste vertegenwoordigers; maïs, tarwe en gerst, bevat veel zetmeelachtige stoffen. Granen bevatten relatief weinig eiwitten en ook het kalk en fosfor gehalte is laag. Granen worden vooral gegeven als energieleveranciers. Peulvruchten, zoals erwten, bonen, linzen en wikken ook wel genoemd worden, zijn de voornaamste leveranciers van eiwitten. Een goede kwaliteits mengeling duivenvoer kan men herkennen aan de grote variatie van peulvruchtensoorten. Omdat de diverse soorten peulvruchten ook variëren in de eiwitten die ze produceren kan men niet met een enkel soort in een mengeling volstaan. Voor de skeletvorming bij jonge duiven, maar vooral voor de groei en vernieuwing van het gevederte zijn die eiwitten onmisbaar.

Zaden, zoals hennep, lijnzaad, gierst, koolzaad, millet en dari hebben als voedermiddel voor onze Kings veel minder betekenis. Het wordt vooral gezien als snoepzaad en de gewone mengelingen bevatten zelden meer dan 8 tot 10 %. In een goede ruimengeling mag lijnzaad niet ontbreken. Door het hoge oliegehalte worden de nieuwe veren soepel en glanzend. De betekenis van korrelvoer (ook wel kunstkorreI of pellet genoemd) wordt als voedingsmiddel voor duiven met het jaar groter. Vooral door de toevoeging van meerdere vitaminen, mineralen, kalk en sporenelementen vervult het een belangrijke rol in ons streven de Kings een complete voeding te verstrekken. Onder duivenhouders heerst soms de (verkeerde) mening dat kuikenkorrels en duivenkorrels praktisch de zelfde samenstelling hebben. Om de verschillen aan te tonen vermelden wij hierbij de samenstelling van de bekende P.40 duivenkorrel en een aantal opfokkorrels voor kuikens. Het is te betreuren dat de samenstellingen van de diverse duivenvoermengsels vrijwel nooit op de verpakking worden vermeld. Het is onduidelijk wat de precieze reden is voor deze nalatigheid. Bij de voersamenstellingen voor meer commerciële diersoorten zoals kippen, varkens, schapen, runderen en paarden wordt de samenstelling wel altijd vermeld.

De fabrikanten van kunstkorrels claimen dat (bij een kunstkorrel-percentage van 20 %) er geen extra verstrekking van vitaminen of mineralen nodig is. Als de duiven de kunstkorrels eenmaal kennen eten ze ze graag, al de verschillende potjes mineralen en het plakkerige gedoe met levertraan over het voer kan men dan achterwege laten.

De samenstelling van mengsels.

Goed voer moet droog, schoon en stofvrij zijn, niet te oud (van zaden, granen en peulen kunnen we ook als duivenvoer een goede kiemkracht verlangen) en rijk gevarieerd zijn. Een echte kwaliteitsmengeling moet uit 12 tot 14 soorten bestaan, vooral meerdere soorten peulvruchten is belangrijk.

De verschillende seizoenen stellen natuurlijk verschillende eisen aan het voer. Dit kan men op meerdere manieren oplossen, namelijk door naar behoefte meer' te voeren of door verhoging of verlaging van het gersteaandeel. Met de enorme sortering aan mengsels die tegenwoordig worden aangeboden heeft het geen enkele zin om zelf nog eens een afwijkend mengsel samen te stellen. Het zal ook niet mogelijk zijn om de 10 tot 14 soorten, waaruit een goede mengeling is samengesteld, los te kopen. In de praktijk komt het er op neer dat we met zorg een bestaande kwaliteitsmengeling (die past bij de behoeftes van onze Kings) moeten kiezen. Het beste zijn we gediend met een z.g. juniorenmengsel voor postduiven. Het aantal speciale sierduivenmengsels die worden aangeboden zijn maar gering. In sommige sieduivenmengsels valt het op dat het percentage bruine dari veel te groot is, met als gevolg dunne ontlasting. Bij witte dari heeft men dat euvel niet, maar gek genoeg wordt dat in duivenvoermengelingen veel minder gebruikt. In vorige hoofdstukken hebben we er al op gewezen dat wij als Kingfokkers altijd moeten waken tegen het te vet en zwaar worden van onze duiven, om die reden moeten wij afzien van mengsels met grote percentages maïs. Ook mengelingen waarbij de peulvruchten meer dan 50 % uitmaken zijn om die reden voor de Kings niet geschikt.

Vrijwel alle bekende merken hebben tegenwoordig diverse samenstellingen in hun aanbieding. De z.g. juniorenmengeling voldoet als basismengeling voor onze Kings prima. Het is inmiddels wel bewezen dat Kings op een schraal menu het beste gedijen. Op bezoek bij fokkers in het vroegere Oost-Duitsland bleek dat de meeste fokkers daar een slechte kwaliteit kippenvoer aan hun duiven geven. Vruchtbaarheid en productie van hun duiven is vergeleken met die van onze duiven beslist beter. Jan de Jong heeft een interessant boekje over duivenvoer geschreven. Hierin staan de precieze percentages aan eiwitten en koolhydraten enz. van diverse samenstellingen vermeld. Mengsels met teveel kleine zaden erin zijn voor de Kings minder geschikt. Van bruine dari is bekend dat een teveel natte mest veroorzaakt. Die lange z.g. paardetand mais, vaak te vinden in goedkope mengsels, wordt slecht gevreten Popmais daarentegen zijn ze dol op, maar dat maakt het mengsel veel duurder. Ook gerst is erg omstreden, hoofdzakelijk omdat de duiven het alleen vreten als ze echt hongerig zijn. Vaste mest, strakke bevedering en een licht rode borstvleeskleur zijn de positieve kenmerken van een diëet dat voldoende gerst bevat.

Aan de al genoemde juniorenmengeling kan men het gehele jaar 10 % duivenkorrel toevoegen. Als wintermengeling dus na afloop van de rui voegen we daar nog 10 tot 20 % 1e kwaliteit gerst aan toe. Na afloop van de rui gaan de meeste fokkers over op het eenmaal voeren per etmaal. De gerst is dan een prima indicator, als ze naar de waterbak beginnen te lopen mag er alleen nog wat gerst in de voergoot liggen. Bij de volgende voerbeurt, 24 uur later, moet ook dat verdwenen zijn. Alleen bij strenge vorst vermindert men het gersteaandeel en kan men wat maïs toevoegen.

Als voorbereiding op het fokseizoen gaan we twee weken voor het paren over op twee keer per dag voeren, de gerstetoevoeging laten we nu achterwege, een kleine toegift van hennep verhoogt de paarlust. Over de waarde van gerst in het fokseizoen zijn de meningen erg verdeeld het staat vast dat de duiven eten het alleen als ze niets anders krijgen.

In doorsnee rekent men bij Kings op ongeveer 50 gram voer per dier en per dag. In het fokseizoen met halfwas jongen in de schotel kan dat goed een veelvoud bedragen. Als men twee maal daags voert krijgen ze 's morgens ongeveer 40 % en 's avonds de overige 60 % van hun rantsoen. Als de jongen zo'n 2,5 a' 3 weken oud zijn is de tijd aangebroken om ze in het broedhok bij te voeren. Zware stenen potjes die niet omgegooid worden zijn daarvoor het best geschikt. Zo tegen 1 uur 's middags is de beste tijd om die potjes voer bij de jongen te plaatsen. Fokkers die door hun werkkring daar geen kans toe zien zijn aangewezen op de hulp van een huisgenoot. Een tussentijdse controle op uit het nest geraakte jongen is vooral in het koude voorjaar zeer welkom.

Na afloop van het fokseizoen begint het ruiseizoen, de vernieuwing van het veerpak vraagt veel eiwitten, het peulvruchten aandeel mag niet onder de 30 % dalen. Zonnepitten, lijn,- en koolzaad zijn nu onontbeerlijk voor een goede kwaliteit van de bevedering en mogen bij elkaar wel zo'n 8 % van de mengeling uitmaken. Naast het voer zijn er nog een aantal andere produkten die voor onze duiven van belang zijn. Een van de belangrijkste is grit, een goede kwaliteit grit mag op geen hok ontbreken. Grit stelt men altijd beschikbaar in kleine bakjes die vaak worden ververst. Te grote gritbakken waarvan de inhoud te lang blijft staan zijn een bron van besmetting. Grit kan men als de tanden van de duiven beschouwen, de voornaamste taak van grit is, in samenwerking met de spiermaag, het voer te vermalen. In hokken met rivierzand op de bodem nemen de duiven veel minder grit op Tegenwoordig zijn er ook kleine scherpe kiezelsteentjes verkrijgbaar, voor het vermalen van het voer mogen ze op geen duivenhok ontbreken. De kalkbehoefte, wordt ook dor leggende duivinnen vrijwel geheel uit het voer gehaald. Het geven van groenvoer aan duiven is een omstreden zaak, er zijn fokkers die denken dat het niet zonder gaat, terwijl anderen de mening zijn toegedaan dat groenvoer alleen goed is voor konijnen. Als men een natte stronk boerenkool met wat zout bestrooit, beginnen ook duiven, die geen groenvoer kennen, eraan te pikken. Als ze er eenmaal mee zijn vertrouwd pikken ze in korte tijd, ook zonder zout, zo'n stronk volkomen kaal.

Fokkers die geen kunstkorrel bij voeren moeten mineralen zoals kalk, fosfor, ijzer, zwavel en magnesium apart verstrekken. In de handel zijn diverse merken en samenstellingen speciaal voor duiven verkrijgbaar. Let op de afleveringsdatum het spul is maar beperkt houdbaar. Meerdere merken door elkaar mengen geeft de beste garantie. Ook voor dit spul geldt beschikbaar stellen in kleine potjes, met nat weer neemt het veel vocht op en is dan snel bedorven.

Tot slot.

Voeren is een kunst die veel duivenliefhebbers nooit leren. Het gaat erom de duiven te laten eten wat wij willen en denken dat goed voor ze is. Daartoe moeten ze hongerig zijn en dat kunnen we alleen bereiken door krap te voeren. Met maar een hok duiven is dat goed te regelen, zo gauw ze naar de waterbak lopen wordt de voerbak afgesloten of weggenomen. Als men meerdere afdelingen of hokken moet verzorgen gaat dat niet, dan is het afmeten en aanpas- sen. Als de baas op de reguliere voertijd op het hok verschijnt moeten de duiven al hongerig op hem wachten, als ze weinig interesse tonen wordt er een maaltijd overgeslagen.

Vroeger kon men vaak de onmogelijkste bouwsels aantreffen, ijzeren tonnen en kisten opgehangen aan een muur werden voor het houden van duiven gebruikt. Meestal werden deze bouwsels bevolkt door hoogvliegers, Tuimelaars en boerenmeeuwtjes.

De zwaardere rassen zoals we die nu kennen, kwamen vroeger in Nederland bijna niet voor. Van het bestaan van de King het ras dat momenteel in Nederland zo populair is, was men voor zo'n ruim dertig jaar geleden nauwelijks op de hoogte. Zelfs in Duitsland waar de zware sierduiven-rassen veel populairder zijn dan in Nederland kwam de King nog niet voor. Het waren enkele Duitse fokkers die in 1956 met het houden van Kings zijn begonnen. De opkomst van de King, bracht wel met zich mee dat de bestaande huisvesting voor dit zware ras meestal niet aan de behoeften voldeed. Vaak waren de hokken te klein voor het te houden aantal, de zitplaatsen moesten worden aangepast, de broedhokken te klein en te hoog geplaatst. Voor sommigen was dit een reden om voor de Kings een nieuw hok te bouwen.

Voor het zover is, dat u besluit een nieuw hok te bouwen, zult u een aantal zaken tegen elkaar moeten afwegen, en nagaan welke mogelijkheden er voorhanden zijn. Heel belangrijk is het aantal Kings dat u wilt gaan houden. Het aantal zeer belangrijk en vaak bepalend of u al of niet succes heeft. Ook met de financiële mogelijkheden zult u rekening moeten houden die zijn niet voor iedereen gelijk. Ook het aantal kleurslagen dat u wilt fokken zal een grote rol spelen. Wilt u er één kleurslag op na houden, of meerdere het houden van meer dan één kleurslag heeft een groter aantal dieren tot gevolg, dit houdt in dat u over meer ruimte meet kunnen beschikken. Bedenk echter wel dat u van 20 Kings evenveel plezier kunt beleven, als van 60 Kings. Het is verstandig om eerst eens uw licht op te steken bij andere duivenfokkers, kijk en vergelijk de ervaring van deze fokkers met uw eigen wensen en mogelijkheden, want deze zijn voor iedere duivenfokker anders.

Heeft u de beschikking over een grote tuin, dan is dat een voordeel. Is de beschikbare ruimte bij uw woning beperkt, dan zult u een kleiner hok moeten bouwen of naar andere mogelijkheden moeten zoeken. Een aanbouw aan een bestaande schuur of garage is, indien de schoonheidscommissie geen bezwaar maakt, een van die mogelijkheden, het kan zelfs kostenbesparend zijn. Een andere mogelijkheid is 'n zolderhok. Een zolderhok kan men maken in een bestaande woning, of in een bij uw woning staande schuur of garage, althans indien de dakconstruktie zich daartoe leent. Er zijn enkele belangrijke factoren waaraan een hok voor Kings moet voldoen, goed droog, tochtvrij, en de noodzakelijke ventilatie mag niet ontbreken. Vocht en tocht is de grootste vijand van de Kings, daarom is een goede ventilatie zeer belangrijk. In een duivenhok hoeft het niet warm te zijn, Kings kunnen heel goed tegen kou, ook strenge vrieskou kunnen ze heel goed doorstaan. Ook duivenhokken waarvan, tijdens de hele winter het voorfront, wordt opengehouden kunnen zeer goed voldoen

Zolderhok

Bij een zolderhok hebben we enkele belangrijke voordelen. Vocht en tocht hebben we geen last van, alleen de luchtcirculatie kan problemen geven, bedorven lucht moet kunnen worden afgevoerd, en de toevoer van verse lucht moet optimaal zijn. Om dat mogelijk te maken kunnen we een dakkapel inbouwen. Bij de gemeente kan men u precies vertellen aan welke eisen die moet voldoen. Het is in uw eigenbelang dat u de gemeentelijke autoriteiten tot uw vriend houdt.

We hebben al eerder gezegd, een duivenhok moet droog zijn, maar voor een zolderhok gelden andere maatstaven, de luchtvochtigheid kan ook te laag zijn. In een zolderhok is dat al gauw het geval, men kan dan ook het beste een hygrometer in het hok plaatsen. Om de luchtvochtigheid op een verantwoord peil te houden kan men het beste enkele verdampers plaatsen. Voor het noodzakelijke licht, wat bij een dakkapel soms onvoldoende is, kan men het beste zg. daglicht-TL-buizen gebruiken. Deze verlichting eventueeel aansluiten op een tijdklok die trapsgewijs het licht tempert. Dit is nodig om de Kings het gevoel te geven dat het gaat schemeren, ze zullen dan hun rustplaats voor de nacht gaan opzoeken, waarna het licht automatisch wordt uitgeschakeld.

Het is belangrijk dat we de temperatuur in een zolderhok goed in het oog houden. In de zomer kan de temperatuur erg hoog oplopen. Door het dakbeschot te isoleren kan men dat voorkomen Als isolatiemateriaal kunnen we gebruik maken van glaswol, maar ook tempex voldoet uitstekend, dit bevestigen we tegen het dakbeschot, daarover spijkeren we 3 mm multiplex . Verder kunnen we een ventilator, op het hoogste punt van het hok plaatsen, met een afvoerpijp door het dak naar buiten, zodat in de zomer de temperatuur en de toevoer van verse lucht beter geregeld kan worden. Probeer de temperatuur niet boven de 24 graden Celsius te laten komen.

In een zolderhok hebben we geen mogelijkheid om de Kings een vrije uitloop te geven. Dit is het grote nadeel van een zolderhok, want de zon is voor een goede conditie van de Kings onontbeerlijk. Met wat fantasie kunnen we dit gemis toch enigszins overbruggen door een kleine voliëre op het dak te bouwen. Om de dakpannen niet te bevuilen (denk aan uw buren) de voliëre voorzien van een vloertje van watervast multiplex. Deze voliëre kunt u dan tevens gebruiken voor het geven van badwater. U zult zien dat ook een kleine voliëre u veel plezier kan geven, uw Kings zullen er dankbaar voor zijn, want buitenlucht bevorderd de conditie van uw duiven. De inrichting van het zolderhok is voor een groot gedeelte gelijk aan de inrichting van het tuinhok, aan het eind van dit hoofdstuk zullen we dit behandelen.

Schuur of garage

Heeft u de mogelijkheid om een duivenhok tegen een schuur of garage aan te bouwen dan is er het voordeel dat u een wand uit kunt sparen. Heeft men voldoende ruimte over in een bestaande schuur of garage dan hebben we de mogelijkheid deze ruimte in te richten voor de Kings. Het aantal te houden Kings moet u dan wel aanpassen aan de beschikbare ruimte, waak voor overbevolking, beter teveel dan te weinig ruimte. De jonge Kings worden groter maar het hok groeit niet mee. "De King" de Koning der duiven, is een rustige duif, maar heeft meer ruimte nodig dan de meeste andere duivenrassen, daar moet men bij het bouwen van een hok terdege rekening mee houden.

Is de schuur of garage van steen dan is het beter om de muren te bekleden met triplexplaten, een stenen muur ook al is die in spouw gebouwd voelt altijd koud aan, en zonder spouw altijd vochtig. We gaan nu als volgt te werk, tegen de muur bevestigen we regels van 3 cm dik, om de duurzaamheid van de regels te bevorderen dienen deze vooraf geschilderd te worden met houtmenie. Tussen de verticaal geplaatste regels bevestigen we het isolatiemateriaal, hiervoor gebruiken we glaswol of tempex, dit werkt isolerend en geeft zowel in de winter als in de zomer een behaaglijke temperatuur. Voor het bekleden van de wand gebruiken we triplex .

Op de vloer die in een schuur of garage meestal van beton is, plaatsen we om de 60 cm een balkje van 5 x 5 cm, op de balken plaatsen watervast multiplexplaten. Tussen de vloerbalken kunnen we nog tempexplaten aanbrengen zodat we een kurkdroge bodem verkrijgen, in een duivenhok moet het niet alleen voor de duiven, maar ook voor u zelf, aangenaam vertoeven zijn. Besteed veel aandacht aan de luchtcirculatie deze moet beslist optimaal zijn, hokken waarin waterdruppels aan de wanden of aan het plafond hangen zijn ongeschikt om duiven in te houden. Vocht, het kan niet vaak genoeg worden gezegd is de grootste vijand van onze duiven. Vochtige hokken geeft alleen maar ellende en veroorzaakt zieke duiven met alle gevolgen van dien. Hoe de luchtcirculatie geregeld moet worden is minder eenvoudig, dat is voor ieder hok verschillend. Twee ramen in het voorfront van garage of schuur voorzien van een naar buiten draaiend raam die naar gelang de behoefte in een hele of halve stand kan worden vastgezet zal wel voldoende zijn. In het plafond ongeveer 75 cm vanuit het voorfront gemeten, construeert u een opening van 1 meter lang en ongeveer 25 cm breed, deze opening bespant men met gaas, daaronder een schuif in twee delen. Wordt het nu te koud dan kunt u een van de twee schuiven dicht doen, wees daar niet te snel mee Kings kunnen koude goed doorstaan, de opname van voer zal toenemen, het is verstandig dan wat extra maïs aan het voedermengsel toe te voegen.

Het tuinhok

Als men besluit een tuinhok te bouwen zal men zich moeten realiseren of de ruimte in de tuin wel voldoende is. Een tuinhok alleen is niet voldoende, vòòr het hok zal er nog voldoende ruimte moeten zijn om een voliëre te plaatsen. Het is zeer belangrijk dat Kings in de openlucht kunnen komen. We kunnen de Kings alles geven wat voor een goede gezondheid nodig is, maar zonlicht en buitenlucht blijft noodzakelijk, zon en buitenlucht is de natuurlijke medicijn voor onze duiven. Het onthouden van zonlicht en buitenlucht is waarschijnlijk de oorzaak voor de te bleke oogranden bij witte Kings. Zeker is dat niet, maar het zou goed zijn dit eens te onderzoeken. De buitenkant van de schotten bekleden we met een materiaal dat duurzaam is en zo min mogelijk onderhoud nodig heeft. Er zijn meerdere mogelijkheden, bij gebruik van hout moet men altijd rekening houden met krimpen en uitzetten afhankelijk van de weersomstandigheden is hout altijd in beweging. Om deze reden kiezen we voor het gebruik van watervast multiplex, we hebben dan geen last van naden of kieren en het is verhoudingsgewijs goedkoop in onderhoud. In het voorfront maken we één of meerdere openslaande ramen die bij goed weer altijd open staan.

Voordat we beginnen met het bekleden van de buitenwand gaan we eerst de kozijnen voor de ramen aanbrengen. In het voorfront, van een 10 meter lang hok, plaatsen we voor elke afdeling een raam van plus minus 1.25 cm breed en circa 80 cm hoog, de onderkant van de ramen plaatsen we op een hoogte van ongeveer 50 cm gemeten van uit de vloer, gaan we de ramen hoger plaatsen dan 50 cm dan wordt de inval van de zon belemmerd. De kozijnen moeten zodanig worden gemaakt dat de ramen naar buiten kunnen worden opengezet, houd er rekening mee hoe groter de ramen zijn des te groter wordt de schommeling van de temperatuur in het hok. In de zijwand in dat gedeelte wat bestemd is als bergruimte waarin ook de buitendeur komt plaatsen we een raam van ongeveer 80 cm breed en 70 cm hoog, de onderkant van het raam op een hoogte van 75 cm gemeten van uit de vloer.

De vloerbalken van 5 x 10 cm moeten we vooraf met carbolineum instrijken. Die komen op de muurplaat te rusten en 60 cm van elkaar. Vervolgens bevestigen we hierop triplex van 5 mm dik. Hier boven op brengen we het isolatiemateriaal aan, want het is verstandig dat we ook de vloer isoleren. Voor de vloer kunnen we beter geen de planken gebruiken, planken gaan na korte tijd krimpen met het gevolg het ontstaan van naden. Om de muizen geen kans te geven bij het isolatiemateriaal te kunnen komen gebruiken we voor de vloer platen van multiplex van 18 mm dik. Deze platen in de lengterichting van de balken aanbrengen zodat er geen naden ontstaan, op deze wijze verkrijgen we een kurkdroge vloer, die duurzaam is en weinig onderhoud nodig heeft.

Voor het dak kiezen we voor een zadeldak bedekt met een materiaal wat bij de omgeving van het hok past. Het eerste wat ons nu te doen staat is het aanbrengen van de spanten. De zwaarte van de gordingen is afhankelijk van het soort dakbedekking wat we gebruiken. Om verschillende redenen kiezen we voor de z.g. Mulder dakpannen. In de lengterichting plaatsen we op de spanten de zg. panlatten voor het ophangen van de dakpannen. We zorgen er voor dat we een overstek hebben van ongeveer 20 cm. Als men prijs stelt op een optimaal geïsoleerd dak dan kan men op de dakspanten eerst speciale behandelde dakplaten aanbrengen

Willen we in het hok optimaal van het zonlicht profiteren dan is meer overstek niet wenselijk. Het hemelwater kunnen we door het aanbrengen van een dakgoot van p.v.c. afvoeren. De nok van het dak kunnen we met vorstpannen afdekken, om het opwaaien van de dakpannen te voorkomen, en ter verfraaiing van onze duivenwoning moeten we windveren aanbrengen. Rest ons nog het hok aan de buitenkant te schilderen, groen is de meest gebruikte kleur die ook goed bij de natuurlijke omgeving past. De windveren en de ramen schilderen we wit. Vervolgens gaan we ons bezig houden met de binnenafwerking, tussen de balken van het dak brengen we isolatiemateriaal aan waarover we platen triplex van 3 mm dik aanbrengen, voor dat we dit gaan doen brengen we eerst de balklaag voor het plafond aan, deze balken behoeven niet zo zwaar te zijn. Tegen de de onderzijde van de balklaag spijkeren we platen van triplex. Om tussen de balken van het plafond het op den duur uitzakken van het plaatmateriaal te voorkomen bevestigen we om de 60 cm tussen de balken een panlat, we kunnen dan de platen vastspijkeren tegen de balken en de panlatten.

Om de luchtcirculatie optimaal te houden moeten we in het plafond over de hele breedte van het hok een opening laten van 25 cm breed. Over deze opening spannen we horrengaas of een ander soort kleinmazig gaas. Aan iedere zijde van deze opening bevestigen we een richel voorzien van een sleuf waarin we een schuif plaatsen, deze schuif bestaat uit 3 delen zodat we naar behoefte het rooster geheel of gedeeltelijk kunnen afsluiten. Het rooster moet in het plafond zodanig geplaatst worden dat de Kings er geen hinder van ondervinden met een hokdiepte van 3 meter ligt het middelpunt van de nok op 1.50 cm. Gemeten van uit het voorfront plaatsen we op 75 cm het rooster in het plafond. Op deze wijze zijn we verzekerd van een goede luchtcirculatie wat het hok fris en droog houd. Er zijn natuurlijk meerdere mogelijkheden maar dat laten we aan uw eigen fantasie over.

Aan de binnenkant moeten we tegen de zijwanden nog isolatiemateriaal aanbrengen, ook hiervoor kiezen we voor tempex, waarna we de wanden bekleden met platen multiplex van 5 mm dik. Het hok is nu zowel van buiten als binnen geheel klaar, alleen rest ons nog het inrichten van het hok, tussenwanden, zitgelegenheid en broedhokken ontbreken nog. Het hok gaan we opsplitsen in 3 afdelingen van elk 3 meter plus een bergruimte van 1 meter, om dit te realiseren plaatsen we drie tussenwanden. De tussenwanden kunnen we van wat lichter materiaal maken en van een zodanige constructie dat de wanden kunnen verplaatsen wat ons de mogelijkheid geeft een groter of kleinere afdeling te verkrijgen.Een andere mogelijkheid is de tussenwanden te maken van gaas of spijlen (rondhout), gaas heeft het nadeel dat er veel stof aan blijft kleven wat met spijlen niet het geval is. Een nadeel aan het gebruiken van gaas of spijlen is dat wanneer we de geslachten gescheiden moeten houden we de tussenwanden voor een aantal weken moeten bekleden met jute of zwart plastixfolie, als we dat niet doen krijgen we met het koppelen van de Kings grote problemen en zijn vechtpartijen het gevolg.

Het interieur van het hok.

De broedhokken die voor de Kings flink ruim moeten zijn plaatsen we tegen de achterwand van het hok. Belangrijk is er op te letten dat in de broedhokken geen zonlicht valt, want de duif is een holenbroeder en houdt van het halfdonker tijdens het broeden. De broedhokken maken we van een zodanige constructie dat ze op een eenvoudige wijze gedemonteerd kunnen worden. In de meeste gevallen zijn wat betreft de maten van de broedcellen afhankelijk van de beschikbare ruimte in het hok. Voor de King moeten we toch minstens als minimum aanhouden de maten van 80 cm breed, 50 cm diep en 55 à 60 cm hoog, voor een goede paring is deze hoogte beslist nodig.

Bij voorkeur bouwen we de broedhokken in twee etages, daar de King een slechte vlieger is, is een derde etage te hoog. De eerste etage op een hoogte van 50 cm van de vloer. Als we de breedte van iedere afdeling zoals voor het tuinhok is aangegeven benutten hebben we de beschikking over een breedte van 3 meter, we kunnen dan 3 broedhokken naast elkaar plaatsen, de maten van de broedhokken zijn dan 100 cm breed, 50 cm diep en 65 cm hoog. Voor de bodem en de tussenwanden van de broedhokken gebruiken we als materiaal 10 mm multiplex, om het splinteren van het fineer te voorkomen gebruiken we een scherpe fijn-tandige zaag. Als de jonge Kings circa 12 dagen oud zijn volgt alweer het tweede legsel eieren, we moeten er dan voor zorgen dat een tweede broedschaal beschikbaar is en deze op een zodanige wijze plaatsen dat de jonge Kings van het eerste broedsel niet in de tweede broedschaal kunnen komen. Een uitstekende methode is de tweede broedschotel op ongeveer halve hoogte van de broedhok te plaatsen. Op ongeveer halve hoogte brengen we twee latjes aan waarop een stuk multiplexplaat wordt gelegd, hierin is een rond gat gezaagd ter grootte van een broedschotel. De eerste ronde staat de schotel gewoon op de bodem van de broedhok maar zo gauw de ouden weer opnieuw gaan drijven wordt het losse stuk triplex met daarin de broedschotel op de latjes gelegd. De jongen zijn nu niet in staat om de vers gelegde eieren te bevuilen en de ouden kunnen ongestoord broeden. Twee dagen voor het aanpikken van de eieren kan men de broedschotel weer op de bodem van het broedhok plaatsen. Over de hele breedte van de broedhok wordt aan de voorkant een tralieraam geplaatst, die voor de helft scharnierend is. De spijlen worden op 5 cm van elkaar aangebracht. Dit systeem heeft het voordeel dat de helft van het voorfront naar de achterwand kan worden geklapt, de ouders kunnen de jonge Kings door de tralies voeren, en de overige in het hok aanwezige Kings kunnen de jongen niet lastig vallen of beschadigen.

Zo gauw de jonge Kings de nestschaal gaan verlaten wordt er bakjes voor drinkwater, voer en grit in het broedhok geplaatst, de jongen leren dan sneller te drinken en voer op te nemen. De normale gebakken broedschaal die voor de meeste duivenrassen worden gebruikt is voor de King te klein, en dus ongeschikt. Ik zelf maak met succes gebruik van houten kistjes die in de winter en in het vroege voorjaar minder koud zijn dan de stenen broedschotel. De maten van de houten kistjes zijn 28 x 28 cm met een opstaande rand van 8 cm. Na afloopvan het broedseizoen halen we de broedhokken weg, de zitplaatsen komen er voor in de plaats. De zogenaamde beugelplankjes en de schuin afhellende zitjes die gebruikt worden bij de Kropper en Tuimelaarrassen zijn voor de Kings niet bruikbaar. Ik zelf behandel mijn Kings als Wyandottekrielen en maak gebruik van een zitstok van 5 cm breed en 4 cm dik (glad geschaafd) deze komt op een hoogte van 20 cm boven de mestplank die een breedte heeft van ongeveer 60 cm. gemeten vanuit de vloer komt de mestplank op een hoogte van 60 cm. Men zou verwachten dat met deze methode de Kings op de zitstok met elkaar gaan vechten en er voortdurend onrust is, welnu ik heb daar zelden of nooit last mee. De hoogte van de mestplank heeft ook het voordeel dat de Kings ook de bodemoppervlakte onder de mestplank tot hun beschikking hebben, tevens komen de Kings minder in aanraking met de mest. Een veel gebruikte methode als zitplaats is de zogenaamde zitbox, de maten zijn 25 cm breed, 30 cm diep en 35 cm hoog. Voor het opvangen van de mest onder de zitgelegenheid een brede plank in niet te schuine stand aanbrengen. Vier zitgelegenheden boven elkaar is wel de maximale toelaatbare hoogte. Het verstrekken van voer doen we in voergoten die zo zijn geconstrueerd dat ongeveer 20 minuten na het verstrekken van het voer de voerbakken afgesloten kunnen worden. Er moet angstvallig voor gewaakt worden dat het voer niet met vuil in aanraking kan komen. We mogen de Kings nooit het voer op de bodem van het hok verstrekken. De drinkbak plaatsen we zo dat die niet in de zon komt te staan we plaatsen deze bij voorkeur op een rooster.

Bodembedekking

Voor bodembedekking kunnen we kiezen uit vele soorten, veel gebruikt worden de zogenaamde doppen van klompen die in een dikke laag in het in het hok wordt aangebracht, een nadeel is dat dit materiaal niet gezeefd of uitgeharkt kan worden, als het te erg bevuild is zal men de hele laag moeten verwijderen en een nieuwe laag aanbrengen. Dit materiaal heeft het voordeel dat het geen stof veroorzaakt en in de winter warm is.

Erwtenstro wordt ook wel als bodembedekking gebruikt, het is goedkoop maar heeft het nadeel dat het absorptievermogen gering is, en vrij gauw vervuild is, want de King produceert ten opzichte van de meeste andere duivenrassen vrij veel afvalstoffen. Houtvezel en. zaagsel is ongeschikt daar het bij het opvliegen van de duiven alle kanten opwaait. Ook rivier en zilverzand is minder geschikt, het absorpsievermogen is onvoldoende zodat het vocht in de bodem van het hok trekt waardoor er een ideale broedplaats ontstaat voor de ontwikkeling van wormen en cocidiën. Een zeer goede bodembedekker is de Natural vloerdekkorrel een produkt afkomstig uit Spanje. Deze korrel is een 100 % natuur produkt, behandeld op 600 graden Celsius. Waarborg voor hygiëne en droogte in het hok, de vloer steeds netjes, droge mest...gedaan met het dagelijks reinigen. Vloerdekkorrel heeft een fantastisch absorptievermogen voor vocht. Om succes te hebben strooit men een laag van 3 cm vloerdekkorrel op de bodem die na ongeveer twee maanden moet worden vernieuwd. Een zak is voldoende voor 1,5 m2 bodem te bedekken. Naast de vele voordelen is er ook een nadeel aan deze vloerdekkorrel, door het lopen in het hok wordt de korrel onder de schoenen fijn getrapt wat stof veroorzaakt wat hinderlijk is voor mens en dier. Het is niet beslist noodzakelijk een bodembedekker te gebruiken, het kan ook zonder maar dan moet er wel de nodige zorg en tijd er aan besteed worden de bodem tenminste twee maal per dag door middel van een schraper te schonen, waarna er bodemwit op de bodem uitgestrooid wordt.

Voor de broedhokken geven we de voorkeur aan krantenpapier, met twee uitgevouwen kranten kan de hele bodem van het broedhok worden bedekt. Het verdiend wel aanbeveling de kranten elke dag te vervangen door nieuwe kranten, vooral als de jonge Kings wat dunne mest produceren, er moet op worden toegezien dat het om de broedschaal geen vieze smeerboel wordt want ook in het broedhok moet de hygiëne in orde zijn. De nestschalen of nestkistjes worden in krantenpapier gewikkeld, luis heeft een hekel aan drukinkt en in de winter is krantenpapier lekker warm, tevens blijven de nestschalen en nestkistjes schoon.

De inrichting van het duivenhok is nu gereed, het enige wat nog gebeuren moet is het hok van binnen, en de broedcellen te witten, noodzakelijk is het witten niet het kan even goed zonder. Als we besluiten het wel te doen dan gebruiken we daarvoor een soort muurverf op latex basis.

De voliëre

Bij de behandeling van de bouw van het hok hebben wij er al op gewezen hoe belangrijk het is over een voliëëre te kunnen beschikken, het belang van zon en buitenlucht voor de King mag men niet onderschatten. Het is ideaal als de Kings over de hele tuin kunnen beschikken, het is een prachtig gezicht de witte Kings op het mooie groene gazon te zien paraderen. Toch willen we een vrije uitloop niet aanbevelen want de roofdieren hebben dan vrij spel en uw King-kolonie zal dan snel in aantal minderen.

Om de Kings toch een uitloop te kunnen geven rest ons niets anders dan het bouwen van een open voliëre. De voliëre die zo groot mogelijk moet zijn bouwen we in de lengte richting tegen het voorfront van het hok aan, met een diepte van zo mogelijk 2 meter of meer, opgedeeld in die afdelingen van elk 3 x 2 meter. De zwarte grond halen we weg tot een diepte van zo'n 20 cm en vervangen het door scherp rivierzand. Houd er rekening mee dat bij droog en schraal weer veel zand door de wind wordt meegenomen, om de paar jaar moet dat worden aangevuld. Kings produceren naar verhouding veel mest die met een fijntandige hark regelmatig verwijderd moet worden. Een andere oplossing is: om een laag grof tuingrint van zo'n 10 cm aan te brengen. Om te voorkomen dat het zich over de hele tuin verspreid kan men rondom de voliëre een opstaande rand aanbrengen. Als men in de gelukkige omstandigheden verkeerd over een echte grote foliëre te kunnen beschikken kan men de zwarte grond voor de bodem laten zitten, we kunnen de bodem dan inzaaien met graszaad, maar dan alleen als het werkelijk om een grote voliëre gaat. Om hygiënische redenen maken we bij een kleine voliëre liever geen gebruik van een bodem met gras, het gras wordt te sterk vervuild door mest wat moeilijk te verwijderen is.

Het raamwerk van de voliëre maken we van ijzeren vierhoekige buis of van niet te zware gladgeschaafde balkjes, als maten voor de balkjes kunt u 3 x 5 cm aanhouden. Voordat we het gaas op het raamwerk gaan spannen moeten de balkjes eerst ingestreken worden met een goede soort conserveringsmiddel. In de handel zijn die in meerdere goede soorten verkrijgbaar. In iedere afdeling van de voliëre maken we een deur van een zodanige breedte dat we er met een kruiwagen door kunnen, als we de bodem met rivierzand moeten bijvullen is het handig als we er meteen kruiwagen in kunnen.

Het raamwerk gaan we met gaas bespannen, u moet vooral geen wijdmazig gaas gebruiken waar de mussen doorheen kunnen, mussen kunnen luis en ziektes overbrengen, bovendien nuttigen ze voer wat niet voor hen bestemd is. Welk soort gaas u gaat gebruiken ligt aan uw eigen smaak, geplastificeerd gaas is duurzaam en behoeft verder geen onderhoud maar is wel duur. Wat minder kostbaar is verzinkt of gegalvaniseerd gaas, dit gaas heeft het nadeel dat het na enige jaren vervangen moet worden vanwege de roest. Het roesten van het gaas kan men tegengaan door het gaas te behandelen met autolak in de kleur zwart. De autolak kan men eenvoudig aanbrengen door middel van een verfrol. Door het zwartlakken wordt het gaas minder zichtbaar en minder storend. Gebruik voor het vastspijkeren van het gaas verzikte spijkers, dit geeft minder roest. Misschien is het, het overwegen waard de voliëre voor de helft te overkappen zodat bij een open voorfront of openstaande ramen men geen last heeft van inslaande regen of sneeuw. Een nadeel is dat dan het daglicht in het hok. minder wordt, om dit te voorkomen wordt gebruik gemaakt van helder doorschijnende plastic-golfplaten.

In iedere afdeling brengen we op een hoogte van ongeveer 60 cm een 25 cm brede paradeplank aan. De voliëre en het hok is nu klaar, om het geheel nog wat te verfraaien, planten we een aantal coniferen, heesters en vaste planten, en als er plaats voor is enkele bloembakken.

Nabericht bij 2e uitgave:

Het bovenstaande hoofdstuk over de huisvesting van onze Kings is voor de 1e uitgave van ons Kingboekje destijds geschreven door onze erevoorzitter Willem Klunder. De inzichten zijn sindsdien wel iets veranderd. Steeds meer fokkers gaan over op openfront hokken. In openfront hokken verzamelt zich veel minder duivenstof en is de kans op een stoflong aanmerkelijk kleiner. Het behoeft geen uitleg dat het weinig zin heeft om optimaal te isoleren bij een open voorzijde. In België zijn er enkele commerciële fokkerijen, waar met honderden koppels duiven wordt gefokt. Deze duivenfokkerijen zijn uiterst doelmatig ingericht maar de diverse eenheden bestaan in feite uit niet veel meer dan aan drie kanten een dun houten wandje afgedekt door kunstof golfplaten. De productie (het aantal jongen per koppel- seizoen) van de op deze wijze ondergebrachte duiven is het veelvoud van onze verwende Kings.Voor de fokker zelf is zo'n prachtig geisoleerd hok natuurlijk ideaal. Bij sneeuw en nattigheid is het in een dergelijk openfront hok armoe leiden.

Het houden en fokken van sierduiven kan op meer dan één wijze worden beoefend. Veel liefhebbers vinden in het houden van duiven een uitlaatklep om hun dagelijkse beslommeringen te vergeten, voor hen maakt het niet veel uit of hun duiven van zuiver ras zijn of niet. Dit is ook niet nodig, voor hen is alleen maar belangrijk om met duiven om te kunnen gaan en er van te kunnen genieten op een wijze zoals hij dat wil.

Voor de echte Kingfokker is dat niet. voldoende, hij wil meer, hij wil Kings fokken van hoogwaardige kwaliteit, hij wil Kings die in rasadel de Kings van z'n collegafokker overtreffen, hij zal er alles aan doen om de top te bereiken en die trachten te behouden, voorwaar geen eenvoudige opgave. Sinds 1982 hebben we in Nederland een speciaalclub voor Kingduiven die goed werk verricht en uitstekend functioneert, we raden u aan u zich hierbij aan te sluiten. Deze speciaalclub heeft u veel te bieden waar u uw voordeel mee kunt doen. Een van de jaarlijkse hoogtepunten is de fokkersdag die medio september wordt gehouden. Op zo'n fokkersdag mag vooral de beginnende fokker niet ontbreken want nergens kan hij meer kennis over de King op doen dan op de fokkersdag. Natuurlijk is het bezoeken van tentoonstellingen belangrijk, in de meeste gevallen slaagt men er wel in om met een keurmeester, of met een mede inzender over de ingezonden Kings te praten, u heeft een waslijst van vragen om met de keurmeester in discussie te gaan, het ergert u als. dan een inzender van een ander ras dan de uwe de keurmeester meesleurt naar zijn dieren, u had nog zoveel te vragen, b.v. waarom de kop van King - B- beter is dan de kop van King -A-  enz. Dit zou u op een fokkersdag waarschijnlijk niet zijn overkomen, want daar zijn geen andere rassen aanwezig. Op een fokkersdag kan de keurmeester dieper op uw vragen ingaan en aan de hand van de aanwezige Kings en de standaard uw vragen beter beantwoorden. Op een fokkersdag worden de Kings door bekwame mensen besproken meestal is dit een keurmeester, maar het kan even goed worden gedaan door ervaren fokkers. Er zijn speciaalclubs die over een technische commissie beschikken, deze commissie bestaat dan uit speciaalclub keurmeesters en of fokkers die over een grondige kennis van het ras beschikken. Deze commissie heeft als taak er op toe te zien dat het ras volgens de standaard wordt gekeurd. Ook heeft deze commissie de taak het ras ten opzichte van de standaard nauwlettend te volgen. Het is al meerdere malen gebeurd dat een ras in kwaliteit de standaard voorbij streefde. In zo'n geval zal de speciaalclub in overleg met de technische commissie een verzoek doen aan de standaard-commissie om de standaard bij te stellen, in de meeste gevallen zal de standaardcommissie aan dit verzoek gevolg geven.

Een fokkers-bijeenkomst is voor de technische commissie een uitstekende gelegenheid om met de fokkers te discuteren, een lijn uit te zetten om Kings te fokken zoals de speciaalclub en de standaard die wenst. We geven hiermee duidelijk aan hoe belangrijk het voor de fokker is een fokkersdag te bezoeken. Het kan voorkomen dat een fokker met het fokken van Kings op een dood spoor zit, er is geen vooruitgang te bespeuren, uitwisseling van ervaringen met andere fokkers kan dan een uitkomst zijn. Bij de Kingduiven-speciaalclub is het gebruikelijk dat de fokkers hun jonge Kings op de fokkers-bijeenkomst ter keuring aanbieden. Dit is een goede gelegenheid om de kwaliteit van uw jonge Kings te toetsen aan de kwaliteit van Kings van andere fokkers. We willen het nog eens duidelijk stellen, de standaard is een leidraad voor de fokker en de keurmeester en die zullen zich daaraan moeten houden.

Om een fokkersdag voor alle leden van de speciaalclub toegankelijk te maken heeft het de voorkeur geen inschrijfgeld voor de ingeschreven Kings te vragen. Als er geen inschrijfgeld gevraagd wordt kunnen de inzenders als tegenprestatie niet verlangen dat er prijzen zijn te winnen. Het is bij veel speciaalclubs ingeburgerd om een groot aantal prijzen uit te loven, zoals voor het fraaiste dier van het geheel en een aantal prijzen per keurmeester. Door het uitloven van prijzen bestaat het gevaar dat dan het zwaartepunt op het wedstrijd element komt te liggen, zodat dan voor een groot gedeelte aan het doel van de fokkersdag voorbij gegaan wordt. Op een fokkers bijeenkomst mogen er geen drempels zijn waardoor de fokker wordt afgeschrikt om met een keurmeester te debatteren over zijn Kings. Om prijzen te kunnen winnen moet men inzenden op een tentoonstelling waar het wedstrijdelement een belangrijke rol speelt, daar wordt immers gestreden om de eer door zo hoog mogelijk in de top van een klassement te eindigen. Fokkersbijeenkomsten zijn er voor de leden van de speciaalclub om hun kennis van het ras te verrijken, en voor fokkers die het ras al meerdere jaren fokken is de fokkersdag een goede gelegenheid om zich bij te scholen. Vaak wordt met de fokkersdag tegelijk de jaarvergadering gehouden, wij vinden dit niet verstandig omdat op een jaarvergadering diverse verslagen uitgebracht moeten worden gaat dat te veel tijd kosten, en blijft dan te weinig tijd over voor de keuring en het bespreken van de meegebrachte Kings. We moeten er rekening mee houden dat een groot deel van de fokkers na afloop nog een lange reis voor de boeg hebben, en in de loop van de middag de terugreis willen aanvangen. Bij de Kingduiven-speciaalclub is dat goed geregeld daar wordt de jaarvergadering in het voorjaar gehouden, en de fokkersdag in het begin van het najaar. Er is een belangrijke reden om de fokkersdag in het vroege najaar te houden, overtollige Kings kunnen daar te koop worden aangeboden, ook het ruilen van Kings is mogelijk waarmee we elkaar zonder dat het geld gaat kosten voorthelpen. Een fokkersdag is geslaagd als die zich kenmerkt door een goede sfeer, gezelligheid en sportiviteit. En als er dan nog nieuwe leden tot de speciaalclub toetreden is het succes compleet.

Als we met succes Kings willen fokken zullen we er voor moeten zorgen dat het met de hygiëne in orde is, als we aan de hygiëne niet de uiterste zorg besteden zullen we te maken krijgen met tegenslagen, zoals ziektes, ongedierte enzovoorts. Bij toenemende mate van vervuiling in de hokken neemt de kans op het uitbreken van ziektes toe. Een van de meest gevreesde ziekte is de paratyfus. Deze ziekte heeft bij menig duivenfokker hele kolonies duiven in de vernieling geholpen. Daarom is het van het grootste belang dat het schoonhouden van de hokken en de inventaris de hoogste prioriteit krijgt. We kunnen ons niet veroorloven dat er ook maar het geringste aan onze aandacht ontsnapt, we zullen daarom ook efficiënt te werk moeten gaan door o.a. dagelijks de veren uit het hok en de voliëre te verwijderen, ook de mest op de zitgelegenheden en loopplanken moet dagelijks worden verwijderd door middel van een schraper. Indien mogelijk moet tenminste eenmaal per week het vloerdekmateriaal worden gezeefd of uitgeharkt. Ook drinkbakken moeten dagelijks zorgvuldig worden schoongemaakt. Drinkbakken mogen in het hok nooit in de zon komen te staan. Wij geven er de voorkeur aan de Kings in de zomer tweemaal daags schoon drinkwater te verstrekken. Dit is geen overbodige luxe maar een noodzaak. Het grootste gevaar van het uitbreken van een ziekte komt via de drinkwaterbak. Ook de voerbakken kunnen een bron van besmetting vormen. Een voerbak moet zo van constructie zijn, dat het voer op geen enkele wijze met de mest of ander vuil in aanraking kan komen. Een handige hobbyist, en dat zijn duivenfokkers bijna allemaal heeft er weinig moeite mee een goede voerbak te maken. Bij dierenspeciaalzaken zijn ze er te kust en te keur in vele maten en soorten te verkrijgen, u zult dan wel wat duurder uit zijn maar dat moet u dan voor lief nemen. Ook de broedhokken krijgen onze speciale aandacht, willen we dat de jonge Kings goed gedijen dan moeten we er voor zorgen dat het in het broedhok fris, luchtig en vooral schoon is. Onze Kings groeien snel, en produceren meer afvalstoffen dan menig andere jonge duif, we dienen daar rekening mee te houden. Broedschalen of broedkistjes kan men het beste in krantenpapier verpakken, dit houdt de broedschotel c.q. het broedkistje schoon en warm en minder kans op luis want luizen hebben een hekel aan drukinkt.

Op de bodem van het broedhok wordt één of meerdere kranten gelegd waarop de broedschaal c.q. broedkistje wordt geplaatst. Wanneer de bodem bedekkende kranten door de ouderdieren en de jonge dieren met mest zijn bevuild, kan men de kranten eenvoudig wegnemen en door schone kranten vervangen. Men kan voor de bodem natuurlijk best een ander soort bodembedekking gebruiken, maar het gebruik van kranten is wel de meest praktische en efficiënte wijze voor het schoonhouden van de broedhokken. Op de wijze zoals voornoemd houden we dagelijks onze duivenverblijven op een verantwoorde wijze schoon.

Toch ben ik van mening dat er nog iets ontbreekt, met name de jaarlijkse grote schoonmaakbeurt is beslist noodzakelijk. Ook het noodzakelijke ontsmetten hebben wij nog niet besproken. Vroeger was het zo, als het voorjaar zich aandiende kreeg mijn moeder de kriebels en werd de jaarlijkse grote schoonmaak ter hand genomen, de woonkamer kreeg een grote beurt, idem de slaapkamer en de keuken, zelfs de schuur ontkwam niet aan de schoonmaak-manie van mijn moeder. Nu vele jaren later handelt mijn vrouw nog op de zelfde wijze als mijn en haar moeder het vroeger deden, ouderwets. Ik denk van niet, vroeger waren de gezinnen groter dan tegenwoordig en de huizen kleiner, dus meer verontreiniging. Als duivenfokkers hebben wij de verkeerde gewoonte om te veel duiven in een te kleine ruimte te houden. Dus ook wij als duivenfokkers krijgen te maken met toenemende verontreiniging, daarom is het niet overdreven, en beslist geen luxe als we eenmaal per jaar onze duiven-verblijven aan een grondige schoonmaakbeurt onderwerpen. Niet elk tijdstip van het jaar leent zich daar het beste voor, wij zijn van mening dat dit het beste kan gebeuren voor het nieuwe broedseizoen begint. We beginnen met het strooisel weg te halen die richting composthoop gaat, of met het huisvuil wordt meegegeven. Alle zitgelegenheden worden er uit gehaald. Het hele hok wordt met een stevige borstel met warm water waarin een flinke scheut groene zeep of soda schoongeboend. Na het schoonboenen van het hok gaan we met een bleekwatersopje alles afnemen, dit zelfde doen we ook met de zitgelegenheden. Ondanks alle moeite slagen we er zo niet in de bacteriën te vernietigen. Deze blijven ondanks de gebruikte zeep onaangetast. Bacteriën kunnen we alleen doden met behulp van een brander. Voor het uitbranden van het hok kunnen we gebruik maken van een hobbybrander, oppassen dat de vlam het hout niet raakt, het is niet de bedoeling dat we met de bacteriën ook het hok vernietigen, schenk extra aandacht aan naden en kieren want dit zijn in het hok de gevaarlijkste plekken. Als we liever geen brander gebruiken, want het branden is niet zonder risico, kunnen we het hok met broedhokken en zitgelegenheden ontsmetten met halamid. In een emmer water mengen we dan een hoeveelheid halamid als op de verpakking staat aangegeven, met een zachte handstoffer gaan we alles van onder tot boven bestrijken. Halamid tast metaal aan dus wees voorzichtig. Halamid ontsmet niet in de ware zin van het woord, het water verdampt zodat halamid achterblijft waardoor er een vlies gevormd wordt, de bacteriën worden dan als het ware door het halamid ingekapseld en kunnen dan geen schade meer aanrichten.

Na dat we het hele hok en de inventaris schoongemaakt en ontsmet hebben richten we ons op de voliëre. Is de bodem van rivierzand dan strooien we er ongebluste kalk over waarna we de boden omspitten. De laatste jaren wordt om hygiënische redenen steeds meer gebruik gemaakt van roosters. We hebben daar nog geen ervaring mee opgedaan, maar voor de zware King lijkt het ons niet verstandig om roosters te gebruiken, het lopen op roosters zou voor de King wel eens ten koste kunnen gaan op de houding en de stand van het dier.

Ongedierte zoals luis is een plaag voor onze duiven, vooral de gevreesde bloedluis kan veel schade veroorzaken. We zullen er voor moeten zorgen dat we de Kings vrij van luis houden. Luis kan de veroorzaker wel eens zijn dat een broedend koppel zomaar van de ene op de andere dag de eieren in de steek laat. Ook jongen die te vroeg de broedschaal verlaten kunnen last hebben van luis. Om de luis te bestrijden staan ons een groot aantal hulpmiddelen ter beschikking. Als we het hok twee keer per jaar behandelen met U-3 houden we het hok vrij van luis. Er zijn fokkers die beweren dat het gebruik van U-3 invloed heeft op de bevruchting van de eieren, het zou best waar kunnen zijn maar zeker weten we dit niet. Vaponastrips mogen helaas niet meer worden verkocht, vooral tegen muggen werkten ze uitstekend. Kings die onder de luis zitten kunnen behandeld worden met Bogena Bird-spray of met Beaphar Duivenspray. Deze spray niet op de ogen en snavel richten, iets aanflitsen onder de vleugels, op de stuit en bij de aars is meestal voldoende. Er moet wel regelmatig controle zijn op aanwezigheid van luis. Kings die in de trainingskooi staan te trappelen zitten gegarandeerd onder de luis, snel ingrijpen is dan geboden. De meeste sprays werken onvoldoende tegen mijten. Volgens het opschrift op de verpakking zou dat wel het geval moeten zijn, maar vooral de mijten die rond de cloaca zijn aan te treffen zijn hiermee niet afdoende te bestrijden. Sinds enige jaren gaan steeds meer duivenfokkers over op het gebruik van Ivomec. Oorspronkelijk was dit middel alleen in gebruik bij schapen. Twee tot drie druppels 1% oplossing Ivomec in de bek en de duif is voor de komende zes maanden verlost van in- en uitwendige parasieten. Na het verwijderen van enkele borstveertjes kan het middel, met een wattenstaafje, ook op de huid worden aangebracht. Tegen luizen schijnt dit al afdoende te zijn. Bij de hygiëne en de verzorging van de King behoord ook het geven van tenminste eenmaal per week van badwater. Badwater geven we het hele jaar door ook in de winter, alleen bij streng vriezend weer slaan we het geven van badwater over. Badwater bevorderd de bloedsomloop, houd de bevedering soepel en zacht en schoon, Op 10 liter water voegen we een afgestreken eetlepel badzout toe, na het baden het badwater direct verwijderen zodat de Kings er niet van kunnen drinken. In de handel zijn badwaterbakken van p.v.c. verkrijgbaar, voor de King hebben we bakken nodig met een inhoud van tenminste 40 liter water. Ondiepe bakken zijn voor de King ongeschikt, bakken met een diepte van 8 cm is wel het minste.

Het duivenvoer moeten we op een zodanige wijze opslaan dat het goed droog blijft en gevrijwaard blijft van stof en ongedierte zoals muizen. Als we het voer in een houten ton of kist opslaan moeten we het wel regelmatig omzetten. Om te voorkomen dat het voer muf wordt houden we de voorraad voer beperkt. Grit en mineralen moeten we steeds in voorraad hebben. De Kings moeten dagelijks grit en mineralen verstrekt worden, grit zijn de tanden van de King, en zijn nodig voor het optimaal functioneren van de spijsvertering. Het is aan te bevelen om de Kings piksteen te geven, de spijsvertering is hiermee gediend, tevens bevorderd het pikken aan een piksteen een mooi gevormde snavelpunt. Van scherp gepunte snavels is dan geen sprake meer.

Duivenmelkers zijn een apart volkje, er is waarschijnlijk geen diersoort te vinden waarvan de mest zo nauwlettend gecontroleerd wordt als die van duiven. Dat heeft natuurlijk een oorzaak, als je 's morgens in alle vroegte, als het nog donker is met een zaklantaarn de mest op de zitschappen gaat bekijken, heb je al een indicatie als de mesthoopjes klein en stevig zijn, met een ingedroogd wit kapje van urinekristallen en als het ware besneeuwd met donsveertjes zegt dat meer over de gezondheid van de duiven dan een mestonderzoek in welk laboratorium dan ook. Kings zijn robuuste duiven die bij een normale verzorging weinig problemen met hun gezondheid vertonen. Omdat zo te houden is het zaak streng op gezondheid en vitaliteit te blijven selecteren. Naast die voortdurende selectie en regelmatige goede verzorging is een doelmatige onderbrenging de belangrijkste factor om ze gezond te houden.

Droge en luchtige hokken, waarin ook de zon toegang vindt, geen overbevolking, dagelijks vers drinkwater, in met bleekwater uitgeschrobde drinkbakken, voeren in voerbakken, waarin het voer niet bevuild kan worden, zorgen dat er geen muizen of mussen in de hokken kunnen komen, wekelijks een bad, enz. U kunt waarschijnlijk nog veel meer maatregelen bedenken die de gezondheid ten goede komen. Ondanks al deze maatregelen slagen we er toch niet altijd in om besmetting te voorkomen. Onze eerste maatregel zou moeten zijn, om van ziekte verdachte dieren apart te zetten om te voorkomen dat ze anderen besmetten, maar vooral in het fokseizoen wilt men daar niet aan. Het zelf kuren terwijl men niet met zekerheid weet wat ze mankeren, moet beslist worden ontraden.

Met behulp van een mestonderzoek kan een gespecialiseerde dierenarts meestal snel vaststellen met welke ziekte we van doen hebben. Kuren kan dan gericht plaats vinden en is veel effectiever dan zelf maar wat aanrommelen. De onder duivenfokkers welbekende dierenarts dhr. Drs. J.van der Sluis was zo welwillend om mij toestemming te verlenen, het hier volgende artikel (eerder gepubliceerd in het contactorgaan van de Schoonheidspostduivenclub in Nederland) over te nemen. Bij sierduiven zien we lang niet zo veel ziekten als bijvoorbeeld bij postduiven. Dit komt omdat sierduiven veel minder in contact komen met andere duiven. Echter, er blijven wel risicovolle periodes, zoals een tentoonstelling en bij het van elkaar overnemen van duiven. Het is daarom van belang dat er op tentoonstellingen goed op de gezondheid wordt gelet, omdat de keurmeesters bijvoorbeeld bij een virusziekte zoals Paramyxo, ongewild als tussenpersoon (verspreider) kunnen fungeren. Ook is het bij de aanschaf van nieuwe duiven aan te raden dat de liefhebber deze dieren na een quarantaine periode van twee weken ook nog een eenvoudig medisch onderzoek laat ondergaan.

Dit medisch onderzoek bestaat uit een keeluitstrijkje, waarbij het dier wordt onderzocht op de aanwezigheid van "het geel" (trichomonaden),schimmels of gisten. Voorts een ontlastingsonderzoek, voor vaststelling van coccidiose, wormen, paratyfus en coli bacterieen. Bij een dierenarts is zo' n keeluitstrijkje meestal gratis, terwijl een totaal ontlastingsonderzoek meestal niet meer dan enige tientjes zal bedragen.

De parasitaire ziektes

In de eerste plaats de wormen. De duiven lijden voornamelijk aan haar- en spoelwormen. De eieren zijn microscopisch goed te zien. Een enkele maal kunt u met het blote oog wat spoelwormen, met een lengte van enkele centimeters waarnemen. Haarwormen zijn te klein om ze goed te kunnen zien. De duiven kunnen mager worden terwijl ze groenslijmerige tot drillige ontlasting hebben.

We zien bij sierduiven relatief vaak wormen, wat vooral komt omdat de wormeieren goed gedijen in de zanderige bodem van de rennen. Dit is te voorkomen door daar roosters in te leggen, of er een vloer in aan te brengen die goed te reinigen is. Daarnaast wordt het zand in binnenverblijven vaak gezeefd, waardoor de wormeieren in dit zand blijven zitter en de besmetting blijft. Wilt u de wormen radicaal bestrijden, dan zult u na de kuur altijd het zand moeten verwijderen, het hok goed moeten uitdweilen en eventueel uitbranden. Daarna schoon zand aanbrengen. Ontsmettingsmiddelen als bleekwater en Halamid doden geen wormeieren. Er bestaan vloeibare wormkuren, pillen en capsules. Nooit wormkuren in de rui of met kleine jongen geven. Wormkuren hebben vaak een schadelijke bijwerking. Het middel Spartakon veroorzaakt vaak braken, vandaar dat wij een andere werkzame stof in een capsule hebben gedaan. Het middel Fenbendazole (Pannacure) moet u niet gebruiken omdat het veerverkleuringen en conditieafwijkingen kan geven. Na een wormkuur, wordt het toedienen van vitaminen geadviseerd.

Coccidiose

Deze niet zichtbare eencellige ziekteverwekker, waarvan we onder de microscoop de eitjes kunnen zien, kan ernstige diarree geven. Bij duiven valt dat echter in de meeste gevallen erg mee en blijft de schade beperkt tot wat conditiever- lies. ls geneesmiddel worden meestal sulvaverbindingen zoals Sulfamezatine of EsB gebruikt, naast het middelen als Amprolium en Appertex, Deze laatste wordt gegeven in pilvorm wat per duif eenmalig wordt toegediend en een uitstekend effect heeft. Uiteraard na een coccidiosekuur weer goed reinigen waarbij het zelfde geldt als bij een worminfectie. Tevens na afloop weer vitaminen toedienen.

Het Geel, ofwel Trichomoniases

Dit is een eencellig zweepdiertje wat deze ziekte veroorzaakt. Meestal zien we in de keel wat slijm of is de keel alleen wat rood maar soms, vooral bij nestjongen, gaat het slijmvlies van keel en krop ernstig ontsteken, waarbij gele proppen te zien zijn en soms wel gele bulten in het kropslijmvlies zitten. De duiven kunnen hiervan zelfs stikken. De ziekteverwekkers kunnen in de organen (lever) huishouden en soms komen ze via de navelstreng bij kleine jongen het lichaam in, het z.g. "Steen". De duiven besmetten elkaar via de bek of via het drinkwater. Drinkwater dus regelmatig verschonen. Als geneesmiddel wordt Emtryl gebruikt. Pas hierbij op omdat overdosering hersenbloedingen bij uw duiven tot gevolg heeft. De juiste dosering voor Emtryl is 1 gram per liter drinkwater. Bij warm weer drinken de duiven soms tweemaal zoveel waardoor men onder die omstandigheden de dosering moet halveren. Dit geldt overigens voor toepassing van alle geneesmiddelen en vitaminen welke wij via het drinkwater toedienen. Daarnaast kan men het middel Ridsols gebruiken. Dosering een halve tot 1 gram per liter drinkwater. Dit middel zit o.a. in Sprint-Geel en Teurlings Geelkuur. Verder kennen we het pilletje Spartrix. de indruk bestaat dat voor sommige ziekteverwekkende stammen, dit middel niet effectief genoeg is.

Tenslotte moet hierover gezegd worden dat het in de postduivenwereld een gebruik is om de duiven die zitten te broeden een geelkuur te geven, waardoor de kwetsbare jongen wat beter beschermd zijn. Een vergelijkbare ziekteverwekker als Trichomonade vinden we in de darm. Deze heet Heamiet die Hexamitasis veroorzaakt. De geelkuren zijn ook goed effectief tegen deze diarree-verwekker.

Bacteriële ziekten.

In de eerste plaats noemen we hier de Paratyfus. Dit is wel een van de grootste boosdoeners in de duivensport. Paratyfus wordt veroorzaakt door de Salmonellabacterie. In de eerste plaats geeft het diarree. Verder kunnen gewrichtsverdikkingen verantwoordelijk zijn voor vleugels of mank lopen. Verder zien we vruchtbaarheidsstoornissen, zoals niet bevruchte eieren en geen eieren meer leggen. De duiven kunnen sterk vermageren wat tot de dood kan leiden. Gewrichtsaandoeningen zijn ook vaak blijvend. Op de eerste plaats wordt geadviseerd te kuren. Ook als er niets aan de duiven te zien is en toch in de ontlasting Paratyfus is aangetoond wordt geadviseerd te kuren. Duiven die ernstig zijn aangetast kunnen beter worden opgeruimd. Desnoods worden ze apart behandeld maar de vooruitzichten zijn meestal slecht.

De kuren kunnen over het voer of in het drinkwater worden toegediend. Het zijn meestal de Antibiotica zoals Chloramfenicol, Colistine, Neomycine, Trimetroprim en Baytril. Middelen als Sulfa en Tetracycline werken matig. De kuren worden vaak langdurig toegediend, 12 tot 14 dagen, terwijl daarnaast het hok goed gereinigd moet worden met Halamid (dit middel werkt niet bij lage temperaturen) bleekwater Creoline. De entingen tegen Paratyfus, die tot nu toe op de markt zijn, werken niet voldoende. Althans hun werkzaamheid is nooit bewezen. Vandaar dat de verwachtingen over het eindresultaat niet te hoog gespannen moeten zijn. Er zijn thans twee vaccins in de handel, als 1e het inspuitbare DELVAX FT, en als 2e de opsteekbare PARVAX capsule met de verzwakte Paratyfusbacterie die als enting werkt. Na een behandelde Paratyfusinfectie moet altijd gedurende een half jaar de ontlasting maandelijks worden gecontroleerd op Paratyfus. Als de ontlasting voor Paratyfus onderzoek verzameld wordt mogen de duiven gedurende tenminste 5 dagen geen medicijnen hebben gehad.

Colbacterie-infectie.

Deze bacterie lijkt veel op de Paratyfusbacterie, geeft meestal de zelfde verschijnselen maar is vaak minder ernstig. De behandeling is ook hetzelfde Bij het ontlastingsonderzoek is het  vaak een probleem om vast te stellen of de gevonden colibacterie een onschuldige of een kwaadaardige bacterie is. Vaak ontstaan Coli-infecties doordat duiven eten uit dakgoten of vuile bakken en daardoor indigestie krijgen.

De Virusziekten.

We zien o.a. de pokkeninfectie. Dit virus wordt overgebracht doordat de duiven vechten, maar we zien ook wel dat dit door de muggen gebeurt. Pokken gaat samen met het verschijnsel Difterie. We zien dus naast de woekeringen bij het oog en de bek (en soms ook elders) ook gele brokken in de mondholte. Duiven sterven niet gauw aan pokken, maar het veroorzaakt wel veel ongemak. Soms kan een snavel afsterven of worden de duiven blind. Pokken is eenvoudig te voorkomen door tenminste tweemaal te enten. Pokkenentstof is goedkoop er is dus geen enkele reden om de duiven niet voorbehoedend te behandelen.

Offcieel mag bij duiven geen enkele vaccinatie verricht worden door de liefhebber zelf. Pokkervacc. wordt  in de praktijk toch vaak door de liefhebber zelf gedaan waarbij gelet moet worden op de verloopdatum van de entstof welke op de verpakking staat vermeld terwijl na het "aanmaken" van het vaccin dit slechts enkele uren houdbaar is. Na een tweemalige pokkenvaccinatie hebben de duiven een behoorlijke weerstand voor de rest van hun leven. Tegen pokken is weinig te doen als de duiven zijn aangetast. Er worden wel wat smeerseltjes gebruikt maar de meesten zijn onwerkzaam.

Par amyxo.

In de sierduivenwereld stond men aanvankelijk laconiek tegenover deze ziekte. Echter al spoedig heerste deze ziekte ook onder sierduiven. De eerste verschijnselen zijn vooral veel drinken en dunne ontlasting. Deze dunne ontlasting is in wezen urine die niet meer tot de witte poeder (die we normaal op de ontlasting zien)als urinezuur-kristallen geconcen-treerd kan worden door de nieren. Naast dit nierlijden kunnen er ook zenuwverschijnselen ontstaan die zich uiten in poot-, vleugelverlammingen en draaikoppen. Lichte verschijnselen zijn o.a. het bekende "mispikken" van het voer. Deze lichte vormen verbeteren op den duur meestal terwijl ook de nieren spontaan kunnen verbeteren. Veelal moeten de duiven echte worden opgeruimd. Er zijn verschillende vaccins in de handel die te gebruiken zijn:

1.Colombovac, 2. Newcavac,

3. Nobyvac-Faramyxo

Het zijn alle drie dode vaccins. Newcavac, ook wel de (oude kippenentstof) genoemd, is wat uit de tijd omdat er nogal wat reacties kunnen optreden. Vooral bij herentingen. Colombovac en Nobivac zijn beiden voor duiven ontwikkeld, waarbij gezegd moet worden dat Nobivac het enige vaccin is wat uit het duivenvirus is bereid, dus theoretisch het beste vaccin is. Colombovac blinkt uit omdat het totaal reactieloos is. Dit is vooral van belang voor de kleinere gevoelige duivensoorten, zoals bijvoorbeeld sommige Tuimelaarrassen.

Het advies is om de duiven tweemaal te vaccineren. Als jonge duif op ongeveer 5 weken en als jaarling. Dit is dan het minimum om een langdurige redelijke hoge immuniteit te verkrijgen. Er wordt in wetenschappelijke kringen thans wel vanuit gegaan dat de oogdruppelmethode, indien tenminste niet zeer fre-quent toegepast, onvoldoende werkzaam is. In postduivenkringen raakt deze methode er dan ook geheel uit.

Hiermede heb ik enkele belangrijke duivenziekten belicht in de hoop, de sierduivenliefhebbers hiermee wat meer inzicht in deze materie te hebben verschaft. Mochten er vragen zijn, dan ben ik gaarne bereid deze te beantwoorden,

J. van der Sluis dierenarts,

Toevoeging.

Kingduiven zijn zware duiven, vliegen doen ze weinig maar lopen des te meer. Vooral in hokken of volières met een betonnen bodem komt het voor dat er wondjes ontstaan aan de voetzool, hierin dringen bacteriën, het gevolg is dan een soort fistel. Ook bij zware kippenrassen is dit euvel, onder de naam knobbelvoet bekend .Het dagelijks weken in heet sodawater wat wel wordt aanbevolen is een langdurig gebeuren. Vooral als de ontsteking nog in een beginstadium verkeert kan men het genezingsproces aanzienlijk versnellen met behulp van een z.g. likdoorn pleister Na enkele dagen kan men de zacht geworden korst pijnloos verwijderen. In de ontstane holte doet men wat anti-bioticazalf en dekt men de wond af met leukoplast of iets dergelijks, om te voorkomen dat er hernieuwd bacteriën indringen. Als de poot al misvormd is, verdwijnt wel de ontsteking, maar de misvorming blijft.

 

-1-     Ter inleiding

-3-     Oorsprong en ontstaan

-6-     De diverse standaards

-12-   Interpretatie van de standaard

-15-   Selectie

-18-   De fok en fokproblemen

-31-   De diverse kleurslagen

-43-   Voortplanting en vererving

-51-   Rui

-55-   Voeding

-59-   Huisvesting

-67-   Fokkers- en jongdierdagen

-69-   Hygiëne en de dagelijkse verzorging

-72-   Ziektes

-77-   Inhoudsopgave